Vrijdag 18 mei 2012
Historie in vogelvluchtMijnbouw van de abdij KloosterradeDe mijnbouw in het dal van de rivier De Worm op de grens van Nederland en Duitsland dateert van vele eeuwen terug. Al rond de twaalfde eeuw gebruikte de arme bevolking de steenkool op het grondgebied van de abdij Kloosterrade (tegenwoordig conferentieoord Rolduc) voor het stoken van vuurtjes. De kolen haalden ze met schoppen, hakken en houwelen uit de grond. Toen de steenkoollagen aan de oppervlakte uitgeput raakten, groeven de koolputters gangen en schachten in de dalwand om zo de diepere lagen te kunnen bereiken. Met haar honderden mijntjes, schachten en ondergrondse gangen leek het Wormdal in die tijd wel één grote gatenkaas.
De Domaniale Mijn met rechts hoofdschacht Willem II aan de Kerkraadse Nieuwstraat. In 1741 besloten de kloosterheren om de mijntjes op hun grondgebied zelf te gaan ontginnen. De abdij nam professionele mijnbouwers uit de Luikse regio in dienst en al snel nam de kolenwinning in het Wormdal een hoge vlucht. Rond 1780 werkten meer dan vierhonderd mijnwerkers in de abdijmijnen, die tot op diepten van 300 meter het ‘zwarte goud’ ontgonnen. De eerste staatsmijnIn 1794 werd het Hertogdom Limburg door het Franse leger bezet en bij de Franse Republiek ingelijfd. De Fransen namen de abdij in beslag en verkochten het grootste deel van de inboedel bij opbod in het openbaar. De kolenmijntjes bleven eigendom van het gouvernement en werd door de fiscus geëxploiteerd onder de naam Mines domaniales de Rolduc.
Kerkraadse mijnwerkerskinderen Na de val van Napoleon en de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 vielen de Franse gouvernementsmijnen, na even in Pruisische handen te zijn geweest, toe aan de Nederlandse Staat. Door het grenstractaat van 1816 kwam de grens tussen Nederland en Pruisen dwars door het concessiegebied te lopen. De vreemde situatie deed zich nu voor dat bovengronds Duitsers leefden en werkten, terwijl diep onder de grond Nederlandse mijnwerkers de steenkolen onder hun voeten weggroeven. Tijdens de opstand van de Zuidelijke Nederlanden (1830-1839) was het bedrijf negen jaar een Belgische staatsmijn. Nadat België zich had afgescheiden zette de Nederlandse Staat het bedrijf nog een tijdje voort onder de vlag van het Amortisatiesyndicaat. Omdat koning Willem II graag af wilde van het noodlijdende bedrijfje in het donkere zuiden, schonk hij in 1846 het ontginningsrecht voor de duur van 99 jaar aan de private Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij. Wurgcontract met de StaatHet ongunstige contract met de Staat bood de noodlijdende spoorwegmaatschappij weinig ruimte voor ontplooiing en nieuwe investeringen. Dat veranderde in 1881 toen een aanpassing van de concessievoorwaarden plaatsvond, met als gevolg een explosieve stijging van de productie. De Domaniale Mijn haalde in 1897 als eerste Nederlandse steenkolenmijn op grootschalige wijze steenkool naar boven. Rond 1900 was er even sprake van dat de Domaniale weer staatsmijn zou worden. De nationalisatie ging echter op het laatste moment niet door, omdat havenbaron Willem van der Vorm van de N.V. Scheepvaart- en Steenkolenmaatschappij uit Rotterdam in de loop van de onderhandelingen een meerderheid van de aandelen in handen had weten te krijgen. Op 30 juni 1925 vond de oprichting plaats van de N.V. Domaniale Mijn Maatschappij Kerkrade. De nieuwe eigenaren kregen het recht van concessie voor de duur van dertig jaar.
Advertentie voor Domaniale antraciet uit 1904 Kwakkelen tussen winst en verliesIn 1954 werd de concessie na veel politiek geharrewar met nog eens dertig jaar verlengd, maar zover zou het nooit komen. De kolencrisis van eind jaren vijftig vormde de voorbode van een wereldwijde recessie in de mijnindustrie, de vraag naar steenkool nam sterk af en vooral de particuliere mijnen hadden de grootste moeite om het hoofd boven water te houden. Uiteindelijk besloot de regering in 1965 om de Nederlandse steenkolenmijnen definitief te sluiten. De Staat nam de aandelen van de Domaniale Mijn Maatschappij over, waarna enkele stafleden van de N.V. Staatsmijnen werden belast met de liquidatie. In 1969 sloten de poorten voorgoed. Het betekende het einde van een bedrijf waarin in de topjaren zo’n 3400 mijnwerkers hun brood verdienden, dat Kerkrade de nodige welvaart bracht, maar dat altijd economisch bijzonder kwetsbaar is geweest. Er waren jaren waarin een redelijke winst werd gemaakt maar dat weegt niet op tegen de vele jaren waarin verlies werd geleden. ![]() Meer weten? Kijk dan onder Bedrijfsgeschiedenis of lees de artikelen onder Werkers in de mijn en Nader belicht. |
|
|||