Zondag 5 februari 2012

Bedrijfsgeschiedenis

Eerste steenkoolwinning in het Land van Rode

Ingang van een oude Stollen

De wortels van de Limburgse mijnbouw liggen in het dal van de rivier De Worm vlakbij de eeuwenoude abdij Kloosterrade, het huidige Rolduc. In deze streek was al in de twaalfde eeuw - en volgens sommige historici nog veel eerder - sprake van kolenwinning. Daarbij moeten we niet denken aan georganiseerde mijnbouw, zoals wij die tegenwoordig kennen, maar aan het op kleine schaal delven van steenkool door de lokale bevolking.

Omdat de beter gesitueerde burgerij de voorkeur gaf aan het schaarse en meer exclusieve stookhout, lieten rijke landeigenaren oogluikend toe dat de arme bevolking de ”brandbare aarde” op hun grondgebied ontgon. De kolenaders kwamen toen nog aan de oppervlakte, zodat ze de steenkolen gemakkelijk met houwelen uit de bodem konden loshakken en met kruiwagens konden afvoeren.

Stollenbouw (ca 1300 - 1500)

Vanaf het begin van de 14e eeuw kreeg de mijnbouw in het Wormdal geleidelijk een meer bedrijfsmatig karakter. In deze periode zijn zo’n 70 tot 80 mijnen in bedrijf geweest, meestal kleine familiebedrijfjes met vijf tot tien arbeiders. Veel details zijn niet bekend maar we weten wel dat de productie kleinschalig was en vermoedelijk niet veel meer bedroeg dan een paar honderd kilo steenkool per dag.

Om de diepere lagen te kunnen bereiken groeven de koolputters vanuit de dalwand schuin oplopende ondergrondse galerijen, zogenaamde Stollen, met om de paar honderd meter een ventilatiegat naar de oppervlakte. Onder deze gaten stookte men vuurtjes om zo de trek te bevorderen. Omdat de mijntjes zich boven het niveau van de rivier bevonden, hadden de mijnwerkers niet veel last van het grondwater. Vanuit de galerijen groeven ze de steenkool weg en brachten die met mandjes en kruiwagens naar de ingang van de stollen. Daar werd de steenkool opgeslagen en verkocht aan kleinafnemers, de zogenaamde landafzet.

Schachtbouw (ca 1500 - 1600)

Toen ook de vindplaatsen rond de stollen uitgeput raakten, waren de kolendelvers gedwongen om nog verder de diepte in te gaan. Hiervoor groeven ze verticale schachten, soms tot wel 40 meter onder het aardoppervlak.

De mandjes met steenkool bracht men met handlieren en tredraderen - ook wel Trempelwerken genoemd - naar boven. Deze hijstoestellen stonden boven de ondiepe schachtjes. Het mijnwater werd met handpompen of mechanische pompen, gekoppeld aan rosmolens, omhoog gepompt waarbij men de stollen als afvoerkanaal gebruikte.

Hoewel er nog geen sprake was van professionele mijnbouw gingen de kolendelvers steeds vakkundiger te werk, zodat de productie in de loop der jaren flink toenam. Met haar honderden mijntjes, schachten en ondergrondse gangen leek het Wormdal in die tijd wel één grote gatenkaas.

Schematische weergave van de mijnbouw in het Wormdal (bron: Mijnmuseum Rolduc, 1985).

Diepbouw (ca 1600 - 1742)

In de 17e eeuw ging de abdij Kloosterrade zich wat meer met de kolenwinning op haar grondgebied bemoeien. De Annales Rodenses - de kronieken van de abdij van Kloosterrrade - vermelden dat abt Balduïnus van Horpusch in 1616 in de Steinbusch een groot pomprad liet plaatsen die het water van grote diepte omhoog pompte. Hoewel dit waterrad al na enkele tientallen jaren in verval raakte, vormde dit technisch hoogstandje het begin van een nieuwe periode waarin voor het eerst diepbouw beneden het niveau van de Worm mogelijk werd. Alleen de naam van de plek waar het waterrad stond - An der Pomp - herinnert nog aan aan het pionierswerk van deze abt.

Tot het eind van de achttiende eeuw gold het recht van de grondbezitter, dat wil zeggen dat ondergrondse schatten als eigendom van de grondbezitter werden beschouwd (zgn. Eigentümerbergbau). Pas met de Franse wet van 28 juli 1791 werden alle particuliere eigendomsrechten op ondergrondse delfstoffen opgeheven. Vanaf toen was alleen de Staat gerechtigd om delfstoffen te winnen of de winning door middel van een concessie aan derden te gunnen.

De abdij liet de koolgroeven exploiteren door particuliere kolengravers: Koelgrevere of Köhler. Deze waren vaak verenigd in kleine groepjes: de Köhlergesellschaften. Het bemalen en droog houden van de mijnen was een kostbare aangelegenheid en vroeg bovendien om specialistische mijnbouwkundige kennis. Omdat de Gesellschaften niet beschikten over de benodigde financiën sloten kapitaalkrachtige ondernemers zich bij hen aan waardoor Vereinigungsgesellschaften of Sociëteiten ontstonden.

Deze verenigingen kochten het ontginningsrecht van de abdij om op eigen risico steenkool te winnen. In het Limburgse land gold op dat moment nog de rechtsregel dat de grondbezitter ook eigenaar was van de mineralen die onder zijn gebied voorkwamen. In ruil voor het afstaan van het ontginningsrecht aan de sociëteiten kreeg de abdij een deel van de bruto opbrengst, de zogenaamde Erfpenning. Onpartijdige mensen, de zogenaamde Kohlwieger, moesten over de hoogte van de erfpenning beslissen.

De arbeiders kregen hun loon uitbetaald in steenkool. Die namen ze mee naar huis en als ze een voorraadje hadden gingen ze die weer verkopen. Pas vanaf 1700 gingen de Gewerkschaften er toe over de mijnwerkers in geld uit te betalen of ... in bier.

Bloeitijd van de abdijmijnen (1742 - 1790)

Abt Petrus Chaineux

Midden achttiende eeuw kwam er een verandering in de houding van de abdij tegenover de kolenwinning. De particuliere verenigingen hadden niet de juiste kennis om op grote diepte kolen te winnen en bovendien ontbrak het kapitaal voor nieuwe investeringen, waardoor roofbouw op de loer lag. Bovendien was abt Rauschaw de twisten tussen de Köhler zat. Mede omdat de inkomsten uit de erfpenningen sterk daalden, besloot de abdij in 1741 de kolenwinning op haar grondgebied zelf ter hand te nemen. De abt zegde de pachtovereenkomst met de Prickköhler op en trok vervolgens deskundigen uit de Luikse regio aan om de mijnbouw te professionaliseren.

In september 1742 startten de mijnwerkers bij de rivier De Worm met de aanleg van een pompinstallatie en een ondergronds afvoerkanaal, gemaakt van uitgeholde boomstammen. Na meerdere vruchteloze pogingen slaagde men er twintig jaar later in om de waterafvoer van de mijn zeker te stellen. Vooral door de inspanningen van abt Petrus Joseph Chaineux (1740 - 1800), een gerespecteerd geoloog en mijningenieur, nam de kolenwinning in de abdijmijnen rond Rolduc een hoge vlucht.

Rond 1780 hadden de mijnen al meer dan 400 kolendelvers in dienst en ontgon men steenkool tot op diepten van 300 meter. De bekendste abdijmijnen uit die tijd zijn de Hemeling, Capleye, Buschweyde, Platteweyde, Trempelwerck (ook wel Trampelrad of Heggen genaamd), Kleurmerienhaus (Claire-Marie), Leyendecker en de machineschacht Maubach. De abdij floreerde dankzij de inkomsten uit de verkoop van steenkool maar de mijnwerker stond onderaan de sociale ladder; hele gezinnen, inclusief vrouwen en kinderen, werkten onder de grond voor een mager loon en onder barre omstandigheden.

De Franse tijd (1791 - 1814)

Na het uitbreken van de Franse revolutie werd het Hertogdom Limburg in 1794 door de ‘Sansculotten’ bezet en bij de Franse Republiek ingelijfd. Op grond van de Franse Mijnwet van 28 juli 1791 namen de Fransen alle mijnen van Rolduc in beslag. De legerbenden beroofden de abdij van haar kostbaarheden en namen de gebouwen in gebruik als kazerne, terwijl de eeuwenoude kerk werd omgebouwd tot paardenstal. De kloosterheren werden gedwongen om hoge sommen belasting te betalen waardoor de abdij de lonen niet meer kon betalen.

Enkele jaren later hieven de Fransen de abdij op. Ze verkochten alle gebouwen en landerijen bij opbod, maar behielden het domeinrecht tot ontginning van een stuk mijngrond van 545 ha. De Augustijner koorheren restte niets anders dan de orde te ontbinden en de abdij te verlaten. Omdat de mijnen door het gouvernement onder de dienst der Domeinen waren geplaatst, werden zij omgedoopt tot Mines Domaniales.

De eerste Deux Chevaux

De Fransen waren niet bereid om te investeren in de mijnen. Daardoor raakten ze al snel in verval, zodat de machthebbers ze uiteindelijk maar helemaal wilden te sluiten. Vanaf 1797 trad enige verbetering in toen de linker Rijnoever onder Frans civiel bestuur werd gesteld. De leiding van de mijnen kwam in handen van vaklieden, maar de voormalige kloostermijnen bevonden zich in zo’n slechte toestand dat geen behoorlijke exploitatie meer mogelijk was. De Franse autoriteiten gaven ze daarom definitief op en besloten de mijnbouw enkele kilometers te verplaatsen naar het plateau van Kerkrade, een plan dat abt Chaineux al eerder overwogen had.

Zo ontstonden in het buurtschap Kerkrade/Holz achtereenvolgens de Mine de Houille Nr 1 en Nr 2, de Bonne Espérance, de Machine Hydraulique, de Bonaparte en de La Paix (zie kaartje). Al deze schachten bevonden zich in de omgeving van het latere terrein van de Domaniale Mijn.

De eerste Staatsmijn (1815 - 1830)

In 1814 zag Napoleon zijn Waterloo en stortte het Franse keizerrijk ineen. Met het Congres van Wenen werden de grenzen van de Europese landen vastgelegd. Oostenrijk deed afstand van de Zuidelijke Nederlanden, die met de voormalige Republiek der Verenigde Nederlanden tot het Koninkrijk der Nederlanden verenigd werden. De eerste koning van dit rijk was Willem I.

De grens tussen Nederland en Duitsland (Pruisen) werd toen gevormd door de rivier de Worm. De ene helft van Herzogenrath was Nederlands en de andere helft Pruisisch bezit. Aan deze ongewenste situatie kwam een einde door het Grenstraktaat van 26 juni 1816 te Aken tussen de koning der Nederlanden en de koning van Pruisen. Hierbij werd een deel van het gebied langs de Worm aan Pruisen afgestaan (o.a. Kohlberg, Maubach, Pesch, Strass). In plaats van de rivier de Worm werd de Nieuwstraat de grens. Een deel van het concessiegebied van de Domaniale Mijn lag nu onder Duits grondgebied. Het grenstraktaat bepaalde dat de oude concessies voorlopig geldig bleven en dat de Pruisische regering zich niet met de exploitatie mocht bemoeien.

De DM rond 1920

Na een korte periode onder Pruisisch beheer ging het eigendom van de mijnen over naar het Nederlandse Koninkrijk. In 1823 werden zij ondergebracht in het Amortisatiesyndicaat, een nieuw overheidslichaam dat koning Willem I in het leven had geroepen om de hoge staatsschulden te saneren. Dit syndicaat zou, met een korte onderbreking tijdens de Belgische periode, tot 1840 het beheer over de mijnen blijven voeren.

De kolenmijn leed op dat moment een kwakkelend bestaan en draaide met zware verliezen. De productie was laag: er waren slechts 40 koolkappers in dienst op een totaal personeelsbestand van 332 man. Om het voortbestaan van de mijn zeker te stellen stelde de directie een reddingsplan op dat voorzag in een omvangrijke verbetering van de infrastructuur. Onder leiding van Franz Joseph Dionis Büttgenbach (1786 - 1851) werd in 1828 gestart met de aanleg van de nieuwe Willemschacht - ook wel Grand Bure genaamd - en werd de eerste stoomophaalmachine geïnstalleerd. Ook de aanleg van de Neulanderschacht werd in dat jaar ter hand genomen.

De Belgische periode (1830 - 1839)

In 1830 kwamen de Belgen in opstand en scheidden zich af. Limburg koos de zijde van de opstand waardoor de Domaniale Mijnen onder Belgisch beheer kwamen. Ook de Belgen hadden in deze onzekere tijden geen zin om in het bedrijf te investeren, zodat de mijn na een korte opleving opnieuw in verval raakte. Er was zelfs niet genoeg geld om de lonen van de arbeiders uit te betalen.

In 1839 was de afscheiding van België een feit. Hoewel een meerderheid van de Limburgse bevolking pro-Belgisch was, werd Limburg verdeeld in een Nederlandse en een Belgische provincie. De Domaniale Mijn was nu definitief staats, de bijnaam in Kerkraads dialect ‘Hollendsje Koel’ stamt uit deze periode.

Overname door de Aken-Maastrichter (1845)

In 1845 kreeg de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij (AMSM) van koning Willem II een concessie voor de spoorlijn van Maastricht naar de Pruisische grens met een zijtak naar Kerkrade. Als compensatie voor het grote risico, dat aan de aanleg en exploitatie van een spoorweg in de weinig bevolkte provincie Limburg was verbonden, kreeg de maatschappij ook het vruchtgebruik van de Domaniale Mijn gedurende 99 jaar.

Ego van der Elst

Op 11 mei 1846 nam de spoorwegmaatschappij de Domaniale Steenkolenmijnen in beheer. De jonge Delftse mijningenieur Ego van der Elst (1826 - 1897), afkomstig uit Werkendam (NB), werd benoemd tot conducteur-directeur. Onder zijn beheer veranderde de mijn van een noodlijdend, slecht geoutilleerd bedrijf in een florerende steenkolenmijn: er werden nieuwe stoomwerktuigen geplaatst, pompinstallaties gebouwd en nieuwe schachten geboord. In 1856 werd begonnen met het afdiepen van de productie-, lucht en ladderschacht Louise op de Holz en in 1857 met productieschacht Suzanna onder Pruisisch grondgebied. Een jaar later gingen ook twee aanvragen voor uitbreiding van de concessie de deur uit. Deze uitbreiding, die grotendeels samenviel met de door de Bergwerkvereeniging voor Nederland aangevraagde concessies Willem en Angeline, werd helaas niet gehonoreerd. In 1873 werd samen met het Vereenigd Gezelschap voor Steenkolenontginning in het Wurmdistrikt een poging gedaan om het veld Eendracht te bemachtigen, maar ook die aanvraag werd afgewezen.

In 1876 bedroeg de productie al ruim 41.000 ton en was het aantal werknemers gegroeid tot 247, waaronder één vrouw "ten dienste van kantoren". Vermeldenswaard is de aandacht die Van der Elst schonk aan de verbetering van de sociale omstandigheden van de mijnwerkers. Op zijn initiatief vond de oprichting plaats van een ondersteuningsfonds dat financiële hulp bood bij ziekte, overlijden en pensionering van personeel. Vanwege zijn benoeming tot Ingenieur der Mijnen trad Van der Elst in 1876 af als directeur. Zijn opvolger was de Duitser Joseph Schümmer, directeur van de naburige mijn Voccart. Deze laatste overleed in 1886, waarna Baron Otto von Pelser Berensberg uit Lemiers (bij Vaals) hem opvolgde.

De steenkool van de Domaniale Steenkolenmijnen was tot ca 1880 voornamelijk bestemd voor lokaal gebruik en voor de spoorwegmaatschappij zelf. In 1872 kreeg de spoorlijn Aken - Maastricht ter hoogte van Simpelveld een acht kilometer lange aftakking naar de mijn, de kolenbaan. Hiermee kreeg de mijn de beschikking over een rechtstreekse verbinding met het spoorwegnet en daarmee een ontsluiting voor de (inter)nationale markten.

Rond de eeuwwisseling (1885 - 1914)

Door een wijziging in de pachtovereenkomst met de Staat had de mijn bij wet van 19 juli 1881 meer ruimte gekregen voor ontplooiing en nieuwe investeringen met als gevolg een explosieve stijging van de productie, die tot ver in de jaren dertig voortduurde. Volgens het verslag van de Inspecteur der Mijnen bedroeg de productie in het jaar 1905 al 218.684 ton, een verviervoudiging ten opzichte van 1885. Ook het personeelsbestand groeide aan het begin van de twintigste eeuw spectaculair: van circa 300 man in 1895 tot bijna 3400 man in 1930.

In 1898 nam de Königliche Eisenbahn Direktion Köln het tracé van Aken tot de Nederlandse grens over, terwijl het Nederlandse deel werd overgenomen door de Maatschappij tot Exploitatie van de Staatsspoorwegen. De Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij was vanaf dat moment nog uitsluitend gericht op de winning van steenkool.

In 1900 nam het Parlement de Wet tot Staatsexploitatie van Steenkolenmijnen aan. Vanaf dat moment zou het zwaartepunt van de Nederlandse mijnbouw, dat tot dan toe in Kerkrade had gelegen, zich in de richting van Heerlen verplaatsen. Limburg had op dat moment drie particuliere mijnbedrijven binnen haar grenzen: de mijnen Neu Prick en Domaniale in Kerkrade en de jonge Oranje Nassaumijn I (opgericht in 1899) in Heerlen. In 1904 staakte de Neu Prick de productie na een enorme ondergrondse waterdoorbraak, die het indirecte gevolg was van het stopzetten van de kolenwinning op de 260 meter verdieping door de Domaniale Mijn.

Anders dan de Canon van Limburg beweert was het niet de Oranje-Nassau mijn I maar de Domaniale Mijn, die rond 1900 als eerste op grootschalige wijze steenkool naar boven haalde.

De Eerste Wereldoorlog (1914 - 1918)

Hoewel Nederland zich tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal opstelde, gingen de oorlogsperikelen niet ongemerkt aan de Domaniale Mijn voorbij. Door de mobilisatie ontstond er een tekort aan personeel. Een bijkomend probleem was dat veel leidinggevend ondergronds personeel van Duitse afkomst was en in Duitsland onder de wapenen werd geroepen. Door het aantrekken van in het buitenland werkzame Nederlandse mijnwerkers, gevluchte Belgische mijnwerkers en ongeschoold personeel lukte het om het personeelsbestand toch redelijk op peil te houden en de productie zelfs te verhogen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had de Nederlandse industrie de steenkool uit Limburg voor het eerst hard nodig. Aangezien de Limburgse mijnen tot 1914 voor meer dan 70% waren aangewezen op buitenlandse markten was de distributie van steenkool in Nederland nauwelijks georganiseerd. Om orde te scheppen in de verdeling van steenkool over Nederlandse afnemers werd op 12 januari 1916 het Rijkskolendistributiebureau opgericht: een overlegorgaan waarin de belangrijkste Nederlandse producenten, importeurs en distributeurs van steenkool waren vertegenwoordigd.

De Duitse grens najaar 1915

De Eerste Wereldoorlog bracht voor de mijn ook praktische problemen met zich mee. Direct na het uitbreken van de oorlog versperden de Duitsers alle wegen, die uitkwamen op de Nieuwstraat, met grensposten. In de daaropvolgende dagen trok een leger van 150.000 Duitse soldaten over de Nieuwstraat naar het Belgische front. De grensbewaking werd verscherpt en Duitsland plaatste langs de grens aan de Nieuwstraat een afscheiding van prikkeldraad die soldaten ervan moest weerhouden om naar Nederland te deserteren. Er bleef alleen een smalle strook Nederlands grondgebied over. Om het massale smokkelen tegen te gaan liet de Nederlandse overheid de deuren en ramen van de huizen aan de Nieuwstraat voorzien van kippengaas, zodat de bewoners hun voordeur niet meer uit konden. Omdat de rijksgrens vlak langs de poort van de Domaniale Mijn liep, was de hoofdingang van de mijn lange tijd niet bereikbaar.

Oprichting van de Domaniale Mijn Maatschappij (1919 - 1925)

In 1919 verwierf de Rotterdamse havenbaron Willem van der Vorm (1873 - 1957) een meerderheidsbelang in de maatschappij. Van der Vorm, die tevens eigenaar was van de Scheepvaart- en Steenkolenmaatschappij zag in de overname van de (toen nog) winstgevende Domaniale Steenkolenmijnen een kans om minder afhankelijk te worden van de onzekere aanvoer van Engelse steenkool en meer invloed te krijgen op de Nederlandse kolenmarkt.

Schacht Willem (foto © DSM)

De nieuwe eigenaren openden meteen nieuwe onderhandelingen met de Staat over aanpassing van het pachtcontract maar kwamen niet tot een akkoord. Daarop besloten zij een ander wapen in te zetten: loonsverlagingen. Op 1 augustus 1921 brak op de Domaniale Mijn een mijnwerkersstaking uit die ruim zes weken duurde en die daarmee de langst durende staking in de Limburgse mijnen was. Ruim drie jaar later bereikten de partijen uiteindelijk een akkoord waarna op 30 juni 1925 te Rotterdam de oprichting plaatsvond van de N.V. Domaniale Mijn Maatschappij Kerkrade.

In 1923 ontstond het plan om de productie op 750.000 ton per jaar te brengen. Tussen 1924 en 1929 onderging het bedrijf zowel boven- als ondergronds een grootschalige modernisering. De oplevering van schacht Willem II, samen met een nieuwe zeverij, wasserij en brekerij, vond plaats in 1928. Deze schachtbok met haar karakteristieke stalen constructie zou decennialang het aanzicht van de mijn bepalen.

Rond 1930 had de mijn bijna 3400 arbeiders in dienst terwijl de jaarlijkse productie circa 1.000.000 ton bedroeg. Het concessiegebied had een totale oppervlakte van 690 ha waarvan 173 ha onder Duits grondgebied lag. De mijn beschikte over zes schachten: de schachten Willem I, Willem II, de Buizenschacht, de schachten Beerenbosch I en II en de schacht Nulland.

Voor de ventilatie van het nieuw aangekochte Prickveld legde de mijn in 1962 aan de Baamstraat nog een zevende schacht aan, een eenvoudige luchtschacht met een diepte van 21 meter (alle schachten en profielen).

De crisisjaren (1930 - 1940)

Als gevolg van de verminderde industriële bedrijvigheid en maatregelen van o.a. Frankrijk en België om de invoer te belemmeren, stagneerde begin jaren ’30 de buitenlandse afzet van industriekolen. Zowel in binnen- als buitenland nam de economische malaise snel toe. In een vergeefse poging om de efficiency te verbeteren verlaagde de mijndirectie de lonen van de mijnwerkers, voerde verzuimdiensten in en ontsloeg massaal buitenlandse arbeiders. Het door de mijnwerkers zo gehate "jaagsysteem" deed zijn intrede.

Om de productiekosten van stoom en elektriciteit te verlagen startte de Domaniale Mijn rond 1934 een grote renovatie van alle boven- en ondergrondse elektrische installaties. Men bouwde een nieuwe elektriciteitscentrale, er kwamen elektrische pompen en machines en voor de terreinverlichting werden energiezuinige lampen geïnstalleerd. In de wasserij/zeverij deed de hypermoderne suspensiewasserij haar intrede, een uitvinding van de Nederlandse ingenieur Klaas Frederik Tromp. Bij de uitvoering waren grote bedrijven als Stork, Heemaf, Siemens, Brown Boveri en EMF Dordt betrokken. Het einde van het stoomtijdperk kwam in zicht.

De Tweede Wereldoorlog (1940 - 1944)

De Duitse bezetting veroorzaakte in de oostelijke mijnstreek, net als in de rest van Nederland, veel ellende en verdriet. Ondanks de nauwe banden met Duitse familieleden was er in Kerkrade geen sympathie voor de bezetter. De Duitsers maakten van de zaterdag weer een volledige werkdag en ook op zondag moesten de mijnwerkers doorwerken. De steenkool was niet bestemd voor de Nederlandse bevolking maar voor de Duitse troepen en Nederlandse bedrijven, die werkten voor de Duitse oorlogsindustrie. Veel mijnwerkers pleegden passief verzet tegen de voorgeschreven verhoging van de kolenproductie en meldden zich ziek. Zware represailles door de Duitsers waren het gevolg.

De stroom evacuees uit Kerkrade passeert Valkenhuizen

Begin september 1944 waren de Amerikaanse bevrijders vlakbij Kerkrade, maar de Duitsers gaven zich niet zonder slag of stoot over. Op 5 september kondigde de bezetter de verscherpte staat van beleg af en stelde de Domaniale Mijn onder toezicht van een Duitse gemachtigde. Onder zijn leiding roofden de Schutztruppen de mijn systematisch leeg. Alles wat enigszins van waarde was verdween richting Duitsland.

Op 25 september moest de bevolking van Oost-Kerkrade op bevel van de bezetter binnen enkele uren evacueren zodat de Domaniale Mijn noodgedwongen de productie moest stopzetten. In de loop van de middag trok een stoet van meer dan 30.000 vluchtelingen dwars door de linies naar bevrijd gebied waar zij door de bevolking van naburige steden en dorpen werden opgevangen. Pas op 23 oktober, na de val van Aken, mocht de bevolking naar de stad terugkeren.

Tip: lees ook het artikel "Tien jaar luchtbescherming op de Domaniaal, 1934-1944"".

Na de bevrijding dienden de terreinen en gebouwen van de mijn enige maanden als steunpunt voor de Amerikaanse troepen. Soldaten die in Aken en Hürtgenwald in de strijd tegen de hevig vechtende Duitse troepen waren gesneuveld, werden op het mijnterrein in de open lucht met vrachtauto’s en ambulances aan- en afgevoerd, geïdentificeerd en in witte zakken gedaan om vandaar naar de oorlogskerkhoven Henri Chapelle of Margraten te worden vervoerd.

Op 30 oktober 1944 hervatte de mijn de productie maar door de slechte opkomst, het ontbreken van voedsel, kleren, gereedschappen en het geringe animo bleven de geproduceerde hoeveelheden laag. Herhaaldelijk braken wilde stakingen uit. De stakers eisten verwijdering van leidinggevenden die vóór en tijdens de oorlog blijk hadden gegeven van een asociale of anti-Nederlandse houding. Door het afvloeien van Duitsers en politiek onbetrouwbare elementen verminderde het personeelsbestand met circa 14%. Dat alles samen leidde ertoe dat de netto productie in 1945 bijna halveerde ten opzichte van voorgaande jaren.

Periode van wederopbouw (1945 - 1950)

Vergadering van de Beheerder der Nederlandse Steenkolenmijnen (tijdschrift Steenkool, 1948)

Na de oorlog bestond in Nederland een grote vraag naar steenkool. Totdat de haven van Rotterdam weer helemaal in bedrijf was moesten de Limburgse mijnen overuren maken. De Limburgse kompels werkten soms wel twee weken achtereen, zondagen inbegrepen. Eindelijk kregen zij uit de rest van het land de erkenning die zij al zo lang verdienden, getuige ook het dichtwerkje "Jouw kolen" uit 1945 van Jan van Amsterdam. Het beroep was gevaarlijk en ongezond maar de lonen waren hoog en dat vergoedde veel pijn. De mijnen vormden de motor van de economie in het Land van Rode; bijna ieder gezin had direct of indirect met de mijnbouw te maken.

Om de distributie van steenkolen zo eerlijk mogelijk te laten verlopen kwamen de particuliere mijnen vanaf juni 1945 enkele jaren onder beheer van de Nederlandse Staat. Dr. ir. C. Th. Groothof van de Staatsmijnen trad op als Beheerder, daarbij bijgestaan door directeur Fock van de Domaniale Mijn en vier hoofdbedrijfsingenieurs. Het Rijkskolenbureau onteigende de productie van de steenkolenmijnen, bepaalde de prijzen en regelde de verdeling over de afnemers.

Het standsverschil tussen beambten en ondergronders vierde hoogtij in Kerkrade: de ‘hoge heren’ kregen via de Deputaatkolen-regeling per jaar gratis 104 juten zakken hoogwaardige antraciet nootjes 4, arbeiders moesten het doen met 84 zakken kwalitatief mindere eierkolen of sjlaam (slik). Mijnwerkers namen na het werk een douche, opzichters gingen in bad. Beambtenwoningen waren groot en luxueus, arbeiderswoningen klein en eenvoudig. Menig opzichter en beambte voelde zich ver verheven boven de ´gewone´ mijnwerkers. Deze laatsten reageerden zich af door de leidinggevenden achter hun rug om te bespotten of minder vleiende bijnamen te geven.

Tip: meer over de huisvesting van mijnwerkers in het artikel "Mijnhuizen in Kerkrade, vroeger en nu".

Bloeitijd van de mijnindustrie (1950 - 1960)

Begin jaren ’50 ging het goed met de mijnindustrie, de lonen waren hoog en het ging de mijnwerkers voor de wind. Limburg was in vergelijking met de rest van Nederland een welvarende streek. Omdat veel arbeiders naar Duitsland gingen pendelen, waar de lonen nog hoger waren, kampte de mijn met een chronisch tekort aan arbeidskrachten. Vanaf begin jaren ’60 verschenen de eerste gastarbeiders in het bedrijf, eerst Italianen en Spanjaarden, na 1965 gevolgd door Marokkanen. Er werden speciale gezellenhuizen ingericht om de vele alleenstaande mannen te kunnen huisvesten.

Klik op de foto om de diaserie te starten

Op 18 april 1951 ondertekenden België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland in Parijs het verdrag tot oprichting van de EGKS. Deze politiek-economische samenwerking kwam voort uit het Schumann plan en beoogde - met het beëindigen van de Marshallhulp in het zicht - de Europese samenwerking te verbeteren en met name ook de eeuwenoude tegenstelling tussen Frankrijk en Duitsland uit de wereld te helpen.

Ondanks het succes van de EGKS (de voorloper van de Europese Unie) kreeg de Europese mijnindustrie meer en meer te lijden van concurrentie van Amerikaanse steenkool, die op goedkope wijze aan de oppervlakte kon worden gewonnen. Omdat de Nederlandse industrie geleidelijk overging op het gebruik van stookolie, stagneerde ook de afzet van kolen voor de binnenlandse markt. Het Tweede Bedrijf van de Limburgse mijnbouw naderde ongemerkt haar ontknoping.

De industrie ontwikkelde veel nieuwe toepassingen van steenkool, zoals wegenteer, kleurstoffen, carbolineum, stookolie, lichtgas, kunstmest en ammoniak. Met name de chemische laboratoria van de Staatsmijnen in Geleen, de latere DSM, verrichtten veel research op dat gebied. De diaserie hiernaast, die in de jaren vijftig op de Lagere school als lesmateriaal werd gebruikt, geeft een indruk van de ontwikkelingen in die tijd.

Het definitieve einde (1960 - 1969)

Omschieten van wasserij 2

Begin jaren zestig kwam de Domaniale Mijn in een ernstige exploitatiecrisis terecht. Door ongunstige geologische omstandigheden en een falend technisch beleid was de ondergrondse productiviteit te laag om tot een verantwoorde economische exploitatie te komen. In 1960 kocht de Domaniale Mijn van de Luxemburgse Arbed de concessie Prick-Bleijerheide ter grootte van 83 ha, om zo de levensduur met tientallen jaren te verlengen. Ir. G.J. de Vooys van de Staatsmijnen, een mijnbouwkundige met een internationale reputatie, werd als adviseur van de raad van commissarissen aangetrokken. Op zijn advies besloot de directie tot kolenwinning in de geblokkeerde veiligheidspijler onder het monumentale kloostercomplex Rolduc.

Ondanks de grote investeringen werd geleidelijk duidelijk dat de mijnbouw in Limburg op haar retour was. De meeste mijnen draaiden met verlies en na de grote aardgasvondsten in Groningen ging Nederland massaal over op het gebruik van aardgas.

Op 17 december 1965 diende de minister van Economische Zaken van het kabinet Cals, Drs Joop den Uyl (1919 - 1987) bij het Parlement de Nota inzake de mijnindustrie en de industriële herstructurering van Zuid-Limburg in. In deze Mijnnota kondigde de regering de gefaseerde sluiting aan van de Nederlandse mijnen, te beginnen met de Staatsmijn Maurits in Geleen. Nog dezelfde dag kwam Den Uyl naar Heerlen om in een bewogen toespraak in de stadsschouwburg zijn besluit persoonlijk toelichten.

Van de particuliere mijnen moest de Domaniale Mijn als eerste haar poorten sluiten. Om de continuïteit te waarborgen kocht de Staat in 1966 een meerderheidspakket van 90% van de aandelen. De leiding van de Domaniale Mijnmaatschappij kwam in handen van enkele directieleden van de Staatsmijnen. Op vrijdag 29 augustus 1969 brachten mijnwerkers de laatste wagen met Domaniale-antraciet naar boven, waarna de mijn definitief de kolenwinning staakte. De totale netto productie over al die jaren bedroeg zo’n 40.000.000 ton.

Afbraak en liquidatie (1970 - 1996)

Na de sluiting werden de mijnschachten om veiligheidsreden afgesloten met een metershoge betonnen kleefprop. Slopers maakten de bovengrondse gebouwen met de grond gelijk. Alleen de monumentale schacht Nulland bleef gespaard. Met een deel van het puin dempte men de slikvijvers van Nulland, een ander deel werd gebruikt als fundering voor een stuwdam in de Anstelvallei.

Stafmedewerker dr. D.B. Jochems van de Staatsmijnen werd in 1971 belast met de liquidatie en de afwikkeling van mijnschades, waarvoor de maatschappij circa tien miljoen euro aan vergoedingen uitkeerde. In 1996 diende hij een faillissementsaanvraag in die door de rechtbank in Maastricht in eerste instantie werd afgewezen omdat de Staat de enige schuldeiser was. Enkele maanden later verklaarde de rechtbank de maatschappij alsnog failliet.

De gemeenteraad van Kerkrade uitte haar zorgen over de afwikkeling van toekomstige mijnschades, maar het mocht niet baten. Het faillissement van de maatschappij betekende het einde van een bedrijf waarin in de topjaren zo’n 3400 mijnwerkers hun brood verdienden, dat Kerkrade de nodige welvaart bracht, maar dat immer economisch bijzonder kwetsbaar was geweest. Er waren jaren waarin een redelijke winst werd gemaakt maar die wegen niet op tegen de vele jaren waarin verlies werd geleden.

Epiloog

Puinruimen op het Domaniale terrein

Schacht Nulland, de enige zichtbare herinnering aan de mijnbouw in Kerkrade, kreeg in 1974 de status van mijnmonument. Na een grondige restauratie richtte de gemeente Kerkrade de schachttoren in als atelier en expositieruimte voor beeldend kunstenaar Rob Thalen, waarmee het gebouw een zinvolle en tevens originele bestemming kreeg. Thalen heeft het gebouw begin 2006 verlaten, momenteel is er een dependance van het museum Continium in gevestigd.

De mijnsteenberg van Beerenbosch werd begin jaren ’70 afgegraven. De gemeente richtte het terrein daarna in als wandel- en recreatiegebied. Op de plek van schacht II verrees in 1971 het pompbedrijf Beerenbosch, dat nog tot 1994 dienst deed als pompmijn voor aangrenzende steenkolenmijnen.

Het monumentale gebouwencomplex van Rolduc heeft eind vorige eeuw een ingrijpende restauratie ondergaan. In de vroegere abdij, die in 2004 haar 900 jarig bestaan vierde, is nu een hotel annex conferentieoord gevestigd. De bijbehorende pachthoeve is omgebouwd tot een appartementencomplex.

Op het 17 ha grote mijnterrein verrees begin jaren ’80 een nieuwe woonwijk, terwijl het tracé van het oude mijnspoor naar Spekholzerheide werd omgebouwd tot een moderne weg. De Nederlandse Spoorwegen zijn in 1988 gestopt met de exploitatie van het Miljoenenlijntje tussen Simpelveld en Kerkrade. Het traject wordt nu door de ZLSM gebruikt als museumspoorlijn.


Geraadpleegde bronnen: zie Bronnenoverzicht.

top
 top