Vrijdag 18 mei 2012
Biografie van directeur J. van EssenOp 31 augustus 1955 kreeg J. van Essen op 72-jarige leeftijd eervol ontslag als directeur van de Domaniale Mijn. De scheidend directeur had al eerder met pensioen gekund maar op speciaal verzoek van de Raad van Commissarissen was hij een paar jaar langer in dienst gebleven. Hierdoor kon hij de voldoening smaken om het elektrificatieprogramma, dat hij zelf had opgezet maar dat door de Tweede Wereldoorlog ernstig was vertraagd, van nabij te zien voltooien. Een leven in het teken van kolen en stoken
J. van Essen (1883-1968) Jacobus van Essen wordt op 30 januari 1883 geboren aan het Oosteinde 145 in Delft als zoon van zinkwerker Cornelis van Essen en Margaretha Eijgenraam. Nadat hij de Lagere School heeft doorlopen begint hij op dertienjarige leeftijd als leerling-draaier en bankwerker bij de Metaalgieterij, herstelplaats van stoom- en andere werktuigen P. van der Zee in Delft. In 1899 treedt hij als tekenaar (buitengewoon werkman) in dienst van de Directie der Artillerie Inrichtingen, waar hij een twaalftal jaren als rijksambtenaar werkzaam is. Dan solliciteert hij naar een functie bij de Vereniging tot bevordering van rookvrij stoken in Amsterdam, waar hij in 1911 een aanstelling krijgt als adviseur. Deze fabrikantenvereniging is in 1907 opgericht door een 25-tal bezitters van stoomketels in Amsterdam. Het doel is de efficiency van het stookproces te bevorderen en daarmee de luchtverontreiniging in de steden en op de vaarwegen terug te dringen. Van Essen is voor zijn werk regelmatig op reis. Hij onderzoekt ketelinstallaties bij industrieën en instellingen op hun thermisch rendement en adviseert de eigenaren hoe dit verbeterd kan worden. Rokende rijnsleepbotenAls adviseur maakt hij een reis met een rijnsleepboot. De Duitse regering heeft bij de Nederlandse regering geklaagd over de overlast, die de vele Nederlandse sleepboten veroorzaken. Van Essen moet aan boord bekijken hoe de uitstoot van rook kan worden verminderd. In Amsterdam huurt hij aan de Prinsengracht 3 een lege etage met een vrije trap naar de zolder, waar hij zijn studeerkamer en laboratorium heeft. Op 9 Mei 1912 trouwt hij met Wietske Ridderikhoff (1888-1973), geboortig uit Nieuw-Buinen (gemeente Borger). In het huis aan de Prinsengracht worden de eerste twee kinderen Cornelis (Cees) en Jacobus geboren. Tijdens de mobilisatie in 1914 wordt hij als sergeant onder de wapenen geroepen. Hij brengt het grootste deel van zijn diensttijd door als menagemeester op het modernste fort in de Stelling van Amsterdam Fort bij Spijkerboor. Op 1 oktober 1915 verandert hij van werkkring en wordt adjunct-chef van de Gemeentelijke Electrische Centrale in Amsterdam. Een jaar later verhuist het gezin naar de Sarphatistraat 149. In dit huis, dat op vijf minuten lopen ligt van zijn nieuwe kantoor, wordt het derde kind Greet geboren. De woning op de derde etage heeft een balkon voor en een veranda achter. Aan de voorzijde kijkt de familie over de gebouwtjes van de Koepokinrichting heen richting Artis. Naar rechts zien ze uit op de elektrische centrale met zijn twee machtige schoorstenen en de hangbaan langs de dakgoot, waarlangs continu wagentjes lopen die de kolen naar de stoomketels transporteren.
Zoon Cees van Essen (links) was in de oorlogsjaren net als zijn vader werkzaam op de Domaniale Mijn (1940). Adviseur van de N.V. Scheepvaart- en Steenkolen MaatschappijOp 1 december 1923 begint hij als beherend vennoot bij de groothandel in Engelse en Ruhrkolen P.H. Hoos & Zoon aan de Leuvehaven in Rotterdam. Onbekend is hoe het eerste contact met P.H. Hoos & Zoon en de Scheepvaart en Steenkolen Maatschappij (S.S.M.) tot stand is gekomen. Misschien hebben deze maatschappijen kolen aan de gemeentelijke elektriciteitswerken in Amsterdam geleverd en daardoor Jacobus van Essen als bekwaam kolenvakman leren kennen. Als Van Essen in 1931 de commerciële problemen bij Hoos ziet toenemen, stelt hij aan de president-directeur van de S.S.M. - Willem van der Vorm - voor om deze firma in een technisch adviesbureau om te zetten. Hoewel Van der Vorm niet op het voorstel van Van Essen ingaat, is hij onder de indruk van diens kwaliteiten en laat hij hem vanaf dan regelmatig als technisch adviseur van de S.S.M. optreden. Zo is er bij de N.V. Domaniale Mijn Maatschappij in Kerkrade, waarvan Van der Vorm grootaandeelhouder is, een stoomketel drooggekookt en zijn er daarover problemen met de verzekering. Hij gaat naar Kerkrade om een en ander te onderzoeken. Er blijken op de mijn in totaal vijf ketelhuizen in bedrijf te zijn, alle met handgestookte Lancashire-ketels die met zogenaamd middelproduct of mixt worden gestookt. Deze met gesteente vergroeide kool levert bij verbranding veel as op en is daarom moeilijk verkoopbaar. Technisch directeur Th. H. F. W. Husmann heeft bij Van der Vorm al een paar jaar eerder toestemming gevraagd om er een ketelhuis bij te mogen bouwen, omdat de stoomdruk niet op peil kan worden gehouden. J. van Essen komt met het voorstel op termijn drie ketelhuizen te sluiten en de twee grootste te moderniseren. Door de ketels van onderwindventilatoren te voorzien en hoogwaardige fijnkool te stoken in plaats van middelproduct zal de efficiency sterk verbeteren. Bovendien stelt hij voor om een aantal oneconomische stoommachines die verspreid over de mijn staan, te vervangen door elektromotoren.
Advertentie van Smit Slikkerveer (1930). De modernisering van het Domaniale krachtbedrijfEen van de middelen om de productiekosten te verlagen is goedkopere opwekking van stoom en stroom. Daarvoor moet er een elektrische centrale op de mijn komen. In de machinehal staan twee stuks tweedehands draaistroomgeneratoren van 500 kVA voor 6000 Volt maar men heeft niet de kennis in huis om ze op te stellen en in gebruik te nemen. De machines ombouwen op 3000 Volt gaat te veel tijd kosten. De mijn schaft daarom een tweedehands draaistroomgenerator van 83 kVA aan, die aan een niet gebruikte stoommachine in de briketfabriek wordt gekoppeld om de inmiddels aangeschafte onderwindinstallatie aan te drijven en zo de stoomproductie op te voeren. De 500 kVA generatoren worden door Smit Slikkerveer omgebouwd voor 3150 Volt en daarna in het machinehuis opgesteld.
De vernieuwde machinehal met op de voorgrond de Stork 1500kW stoomturbine (1933). Directeur Husmann gaat in 1932 met pensioen en wordt opgevolgd door mijningenieur Ir. J.F. Fock. Deze moderniseert het ondergrondse bedrijf en de kolenwasserijen. Zo wordt het middelproduct gebroken en in de nieuwe Birtley droogwasserij van het gesteente ontdaan (vanaf 1939 in de drieproductenbak systeem Tromp). Dat levert hoogwaardige brandstof op voor stofkool-gestookte elektrische centrales. Veel oude stoommachines kunnen nu door elektromotoren worden vervangen en twee ketelhuizen worden gesloten. Ook wordt er een turbocompressor aangeschaft en kunnen de minder economische zuigercompressoren in reserve gesteld worden. Als de stoommijnwaterpompen die ondergronds staan, door elektromotoren worden vervangen, dreigen de twee draaistroomgeneratoren te zwaar belast te worden. In 1933 schaft de mijn een stoomturbine, systeem Stork, gelijkdruk met een Smit-generator van 1500 kVA aan, die een plaatsje krijgt in de machinehal. Dan raakt ook het gemoderniseerde ketelhuis te zwaar belast en wordt er een nieuw gebouwd met twee stuks Stork B&W automatische waterpijpketels met kettingroosters, die elk 25 ton stoom per uur kunnen produceren. ![]() Kijk voor meer foto’s in de serie Van stoom naar stroom. Stoken met stofkoolIn de periode van de modernisering van de mijn is Van Essen van dinsdag tot en met vrijdag in Kerkrade werkzaam en overnacht gedurende die dagen in hotel Du Nord aan de Stationsstraat in Heerlen. Hij komt dan vrijdagavond laat thuis in Rotterdam. Op zaterdag en maandag is hij ook voor de S.S.M. werkzaam. Zo heeft hij in die tijd ook een aandeel in het tot stand komen van het nieuwe eigen terrein voor de lijndienst naar Engeland aan de Merwehaven in Rotterdam. Hij regelt daar de aankoop en opstelling van twee havenkranen van Figee in Haarlem en het inrichten van een modern kolenlaboratorium. Zijn vroegere leerling Couperus wordt daar de chef. Ook adviseert hij Van der Vorm bij de elektrificatie van zijn boerderij "de Steenen Muur" in de Biesbosch. Omdat de boerderij niet is aangesloten op het elektriciteitsnet laat hij een gelijkstroomdynamo aan een aanwezige oliemotor koppelen en een accubatterij plaatsen. Zo heeft het huis toch stroom. In november 1926 loopt het huurcontract van Virulyplein 7 af en gaat hij op zoek naar een ander, groter huis. Hij koopt een herenhuis aan Mathenesserlaan 440, dat hij in augustus betrekt.
Het etablissement van de S.S.M. aan de Merwehaven in Rotterdam (1935) In augustus 1929 maakt hij als deskundige van de S.S.M. een studiereis naar Cardiff in Wales en van daaruit een demonstratiereis met het Amerikaanse s.s. West Alsek. Hij bezoekt op de werf van William Gray & Co. Ltd. in West Hartlepool het s.s. Swiftpool. Beide schepen hebben Schotse ketels, waaraan stofkoolbranders zijn gemonteerd. De kool wordt met lucht in de ketels geïnjecteerd. Uit zijn rapport blijkt dat hoewel beide installaties redelijk werken er nog veel aan verbeterd zal moeten worden. De vuurhaarden van Schotse ketels zijn te klein om een volledige verbranding van de fijne kooldeeltjes te verkrijgen. Hij wist dit al in 1928 en heeft toen een ketel voor het stoken met stofkool ontworpen met een grote vuurhaard. Hij vroeg 20 juni 1928 en kreeg hierop 23 augustus 1930 Nederlands octrooi No. 22615 klasse No.13 groep 27. Hoewel hij via dit octrooi een zakelijke relatie met enkele scheepswerven en machinefabrieken heeft willen opbouwen is dat niet gelukt. Hij ervaart dat octrooien op ingewikkelde apparaten of machines pas wat waard zijn als ze in de praktijk succesvol verwezenlijkt zijn. Waarschijnlijk heeft hij door zijn werkzaamheden als adviseur bij de Domaniale Mijn Maatschappij ook niet voldoende tijd kunnen vrijmaken en is het octrooi vervallen omdat hij de rechten voor instandhouding niet tijdig voldeed.
Directeurswoning Hoofdstraat 74, hoek Nullanderstraat in Kerkrade. Dit huis is rond 1967 bij de herinrichting van het kruispunt afgebroken (collectie Van Essen, 1935). Directeur van de Domaniale Mijn (1934)De modernisering van het krachtbedrijf van de Domaniale Mijn is in volle gang als commercieel directeur A.J.M. Hulsman op 20 oktober 1933 na een kort ziekbed overlijdt. Als Van Essen na de begrafenis samen met de commissarissen naar Rotterdam terugreist, stelt president-commissaris W. van der Vorm voor dat hij Hulsman opvolgt. Van Essen is daar niet gelukkig mee, het technische werk is hem liever. Toch besluit hij het aanbod aan te nemen. Hij stelt de zekerheid van een vaste betrekking boven de minder zekere toekomst die volgt als zijn adviserende taak bij de modernisering van de mijn is voltooid. In oktober 1933 wordt hij belast met de waarneming van de functie van Hulsman.
Jacobus van Essen samen met echtgenote en kinderen op de veranda van de directeurswoning aan de Hoofdstraat 74 in Kerkrade (collectie Van Essen, 1938). Wanneer in maart 1934 de benoeming tot directeur definitief is, moet het gezin Van Essen naar Kerkrade verhuizen. De ambtswoning van Hulsman aan de Nieuwstraat 109 komt vrij, doch die vindt hij veel te groot. Ir. Fock woont in een kleinere woning, die heeft nog jonge kinderen en wil wel graag het huis van Hulsman aan de Nieuwstraat betrekken. J. van Essen kiest dan de kleinere beambtenwoning aan de Hoofdstraat 74, eerder o.a. bewoond door burgemeester Habets van Kerkrade en dr. Keulen. Op 14 augustus 1934 verhuist de familie naar Kerkrade. Het nieuwe huis is twee keer zo groot als dat in Rotterdam. Er zijn ruime kamers, een grote tuin met een vijvertje, een broeikas en een garage met ingang aan de Nullanderstraat. Bij zijn status als directeur behoort ook een statige Buick sedan met eigen chauffeur (Herman Hissel). Jacobus van Essen is als directielid verantwoordelijk voor de commerciële en financiële zaken in het mijnbedrijf. Zijn kennis van de kolenmarkt en zijn vele contacten in die wereld komen hem daarbij goed van pas. Samen met directeur J. Fock en de van Heemaf afkomstige elektrotechnisch ingenieur J. Bouwman weet hij de modernisering van het krachtbedrijf tot een goed einde te brengen. Opvallend is dat de top van het bedrijf voorheen altijd uit de Nederlands-Duitse regio afkomstig was, nu zijn het vooral "Hollanders" die de dienst uitmaken. In oktober 1944 kan Van Essen zijn stookkennis even in de praktijk brengen. Daags na de bevrijding van Kerkrade krijgen de directie en enkele vaklieden van de Amerikanen toestemming om naar Kerkrade terug te gaan. Bij een eerste inspectie blijkt de 620-meter verdieping helemaal onder water te zijn gelopen. Hun eerste zorg is om de stoomketels en de elektriciteitsvoorziening te herstellen en de ondergrondse gangen leeg te pompen. Het verhaal wil dat de deftige directieleden en mijningenieurs het standsverschil even vergeten wanneer ze in hemdsmouwen, samen met de werklieden kolen staan te scheppen om de vuren weer op gang te brengen.
Vergadering van de directies van de Gezamenlijke Mijnen te Heerlen. Helemaal rechts zit directeur Van Essen (26 maart 1953). Door de economische malaise van de jaren ’30 heeft het plan om de productiekosten te verlagen weinig effect. Invoerbeperkingen bemoeilijken de afzet naar het buitenland, terwijl de prijzen in binnen- en buitenland kelderen. Productiebeperking, loonsverlaging en het inleggen van verzuimdiensten zijn onvermijdelijk. De ene ontslagronde volgt na de andere. Voor de nieuwe directeur breken moeilijke tijden aan, die tot begin jaren ’50 zullen voortduren. Na de Tweede Wereldoorlog is de overheidsbemoeienis met het bedrijf enorm. De commercieel directeur is aan handen en voeten gebonden: het Directoraat-Generaal van de Prijzen stelt de prijzen voor vaste brandstoffen vast, terwijl de toewijzing en distributie geschiedt door het Rijkskolenbureau. Pas vanaf 1952 krijgt de onderneming weer de ruimte om zelfstandig op de kolenmarkt te opereren. Ondanks onzekerheid over de verlenging van de exploitatie-overeenkomst met de Staat zet de directie de kostbare vernieuwing van de energievoorziening voort. Als in april 1953 het nieuwe ketelhuis II met twee waterpijpketels en een Stork turbo-generator van 7000kW gereed komt, is de ombouw van stoom op stroom voltooid en kan de mijn in haar eigen behoefte aan elektriciteit voorzien. Terug naar Delft
Van Essen bereikt in 1948 de pensioengerechtigde leeftijd maar op speciaal verzoek van de Raad van Commissarissen blijft hij nog tot 1955 aan als directeur. Op woensdag 28 september 1955 neemt hij tijdens een sobere bijeenkomst in zijn oude werkkamer afscheid van zijn mede-directeuren, de bedrijfsingenieurs, leden van de ondernemingsraad en vrijwel alle mijnbeambten. Na zijn aftreden wordt hij benoemd tot commissaris van de vennootschap. Hij verhuist dan samen met zijn echtgenote naar zijn geboortestad Delft. Gerardus Fokker (1911-1991), die als secretaris van de directie en hoofd van de administratie op de mijn werkzaam is, volgt hem op als commercieel directeur. Na zijn pensionering is hij als adviseur nauw betrokken bij de Instrumentenfabriek Gebr. C. & J. van Essen die hij in 1938 samen met zijn beide zoons aan de Engelsestraat 4 in Delft heeft opgericht. Deze fabriek richt zich op het ontwikkelen van fijnmechanische instrumenten voor de waterwereld, gebaseerd op het meten van druk. Dit resulteert in uitgebreid scala aan producten, die voornamelijk op specificaties van de klant ontwikkeld worden. Het nog steeds bestaande bedrijf is sinds 2001 onderdeel van Schlumberger Water Services. Tot het eind van zijn leven blijft hij actief op "de fabriek".
De trotse gebroeders Cees en Jacobus van Essen (in de deuropening) ontvangen bezoekers uit Kerkrade in hun nieuwe bedrijf aan de Engelsestraat 4 in Delft (3 juli 1938). In 1965 treedt hij af als commissaris van de N.V. Domaniale Mijn Maatschappij. Hij sterft na een kort ziekbed op 28 augustus 1968. Zo komt een eind aan een leven dat in het teken stond van kolen en stoken. Dit artikel is gebaseerd op het familiealbum, samengesteld door Cees van Essen (1913-2009) en bewerkt door Jaap Spoor. Geraadpleegde bronnen: - Familiealbum, samengesteld door Cees van Essen (1913-2009). - RHCL - plaatsingslijst 17.04. - Tijdschrift Steenkool, tiende jaargang, nummer 6, oktober 1955. |
|
|||