Zondag 5 februari 2012

Brikkenbakkers in Kerkrade

door Paul Geilenkirchen

Vroeger maakte men in Limburg bakstenen voor de woningbouw meestal van leem (löss) die in de omgeving van de bouwplaats werd afgegraven. Het bakken gebeurde op traditionele wijze in open veldbrandovens. Door de opkomst van de mijnindustrie ontstond rond de eeuwwisseling een grote vraag naar bakstenen, reden waarom ook de steenkolenmijnen een tijdlang in hun eigen behoefte aan stenen hebben voorzien.

Stenen branden in het veld

Hoe ging dat stenen branden nu in zijn werk? Eerst mengde men de leem met fijn zand tot kleideeg. Dit mengsel werd met een handpers in een mal in de gewenste vorm geperst. Nadat de stenen in de zon waren gedroogd stapelde men ze in rijen op elkaar, waarna in de openingen tussen de rijen kolengruis werd gestrooid. Tussen de lagen bevonden zich luchtkanalen voor de zuurstoftoevoer. Dan werd alles met een laag klei dichtgesmeerd en vervolgens aangestoken. De oven bleef een paar weken op hoge temperatuur branden, totdat de stenen goed doorgehard waren. Nadat het vuur was gedoofd moest de stapel nog geruime tijd afkoelen. Het hele proces van mengen, vormen, drogen, bakken en afkoelen nam zo’n acht à tien weken in beslag. De stapel werd weer afgebroken zodra alle stenen klaar waren.

Een steenbakkerij (midden) op de hoek van de Bleijerheiderstraat en de Veldkuilstraat in Bleijerheide (foto: gemeentearchief Kerkrade, 1925)

Dezelfde plek in Bleijerheide anno 2009 (foto © Paul Geilenkirchen, 2009)

De "Ziegelei" van de Domaniale Mijn

Net als de kolenmijnen Laura & Vereeniging, Oranje-Nassau en de Staatsmijnen Emma en Wilhelmina beschikte de Domaniale Mijn rond 1910 over een eigen steenbakkerij waar brikken voor de aanleg van mijngebouwen, schachtbuizen, woningen en ondergrondse werken werden gebakken. De mijnbouw was sterk in opkomst en om alle nieuwbouwplannen te verwezenlijken waren veel bakstenen nodig, zowel voor het boven- als het ondergrondse bedrijf. De baksteenindustrie, die rond 1900 in Zuid-Limburg 39 steenfabrieken telde, kon niet aan de grote vraag voldoen en daarom bakten de mijnen de stenen maar zelf.

In die periode zijn op de Domaniale Mijn onder meer schacht Nulland en ketelhuis II met stenen uit de eigen "Ziegelei" gebouwd. Ook voor het bemetselen van de oude schacht Willem tot op de 200 meter-verdieping waren honderdduizenden stenen nodig die allemaal op het mijnterrein werden gebakken. De enige uitzondering vormde de schoorsteen van ketelhuis II, waarvoor schoorsteenbouwer Canoy-Herfkens de benodigde (speciale) stenen per trein vanuit Venlo via station Simpelveld liet aanvoeren.

Het steenbakkershuis (zie pijl) lag aan de rand van het mijnterrein bij de Veldkuilstraat in Bleijerheide.

De steenbakkerij bevond zich op de houtplaats, vlakbij het Maarvoetpad of Reiserkuilenvoetpad. Dit smalle pad - in Kerkrade beter bekend als de Koeljaas - liep vanaf de Nieuwstraat langs de muur van het mijnterrein naar de Veldkuilstraat in Bleijerheide. Bij poort 2, westelijk van de particuliere weg over het mijnterrein (de huidige Mijnweg), stond nog een tweede oven. De benodigde leem werd tot op een diepte van 1 à 2 meter van het mijnterrein en het spoorwegemplacement afgegraven - het zgn. ausschachten - en dan met kruiwagens naar de veldoven gereden. De kuilen op het mijnterrein vulde men later weer op met mijnsteen en aarde.

Het bakken gebeurde niet door mijnpersoneel maar door ingehuurde gespecialiseerde arbeiders, waarvoor de mijndirectie jaarlijks een overeenkomst afsloot met een aannemer ("brikkebekker") uit de naaste omgeving. De aannemer leverde de benodigde werklieden, terwijl de mijn zorgde voor kolen, zand, mattenstokken, roggenstro, etc. Het mijnbestuur gaf de benodigde gereedschappen zoals steenvormen, vormtafels, zandbakken en kruiwagens in bruikleen en betaalde de kosten voor huisvesting, reizen en wettelijke verzekering tegen ongevallen.

Een groepje brikkebekkers uit Meers-Elsloo rond de eeuwwisseling (foto Streekmuseum Schippersbeurs Elsloo).

De brikkebekkers uit Meers-Elsloo

Voor zover bekend dateert de eerste steenbakkerij-campagne van de Domaniale Steenkolenmijnen uit 1909, toen brikkenbakker Peter Smeets uit Meers-Elsloo de opdracht kreeg voor het bakken van 1 miljoen stenen. Het dorp Meers ligt in de Maaskant, een streek die van oudsher de bakermat vormt van de Limburgse brikkebekkers. Tegenwoordig maakt Meers deel uit van de gemeente Stein, maar toentertijd hoorde het kerkdorp nog bij Elsloo.

De werklieden, meestal zo’n vier à zes man per ploeg, reisden vanuit Elsloo per trein naar station Simpelveld en gingen vandaar over het mijnspoor naar Kerkrade. Ze woonden het hele seizoen in het steenbakkershuis op het mijnterrein, vaak met vrouw en kinderen in hun kielzog. Het werk was eentonig en zwaar. De werkdag duurde van zonsopgang tot laat in de avond en werd alleen onderbroken door een viertal korte pauzes waarbij de jenever vaak rijkelijk vloeide.

Omdat de stenen in de zon moesten drogen had de campagne altijd in het voorjaar en de zomer plaats, globaal tussen Pasen en half september. Begin twintigste eeuw verkeerde de landbouw in een malaise en de brikkenbakkerij bood de boerenzoons uit de Limburgse maasdorpen de kans om in de rustige zomermaanden hun schamele inkomen wat aan te vullen. Zodra de akkers waren ingezaaid spijkerden ze hun huizen dicht en trokken ze met hun hele hebben en houwen oostwaarts, op zoek naar werk.

Brikkebekkerstafel

Originele reiskist van de brikkenbakker


Op de Berg, Elsloo (foto’s © Paul Geilenkirchen, 2009)

Julianakanaal bij Meers

Tip: bezoek het Streekmuseum Schippersbeurs in Elsloo als je meer wilt weten over het leven van de brikkebekkers.

In de overeenkomst tusen de Domaniale Mijn en aannemer Smeets waren alle details precies geregeld. Zo moesten de veldbrandstenen in gebakken toestand 25 cm lang, 12 cm breed en 6,5 cm dik zijn en bij aflevering "in volmaakten toestand verkeren". De aannemer verplichtte zich om steeds goede, d.w.z. minstens 75% hard gebrande stenen te leveren terwijl de overeengekomen prijs 5,60 Mark per 1000 stuks bedroeg.

Overeenkomst tussen de Domaniale Mijn en aannemer Peter Smeets voor de campagne van 1918 (bron: RHCL, Maastricht).

Brikkebakkerij Vroenstraat en Kruisstraat

Om te kunnen voldoen aan de groeiende vraag naar bakstenen, o.a. voor de uitbreiding van schacht Nulland, besloot de mijndirectie in 1920 om nog eens twee steenovens in Kerkrade op te richten. De ene was gepland achter de mijnhuizen aan de Vroenstraat in Bleijerheide op een perceel dat toebehoorde aan de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij en de andere bij de overweg van het mijnspoor aan de Kruisstraat, ca. 100 m oostelijk van schacht Nulland. Normaal gesproken gold voor de steenkolenmijnen een uitzonderingspositie van de Hinderwet maar omdat de ovens zich aan de openbare weg bevonden moest de mijn vooraf bij de gemeente een hinderwetvergunning aanvragen. De installatie was bovendien een werkplaats in de zin der Veiligheidswet, zodat ook de nodige eisen werden gesteld aan de veiligheid en het welzijn van de arbeiders.

Het rode vierkant markeert de locatie van de veldoven aan de Vroenstraat.
(bron: RHCL Maastricht)

De veldoven aan de Kruisstraat in Nulland (bron: RHCL Maastricht)

De vergunning voor de steenbakkerij Vroenstraat werd op 6 mei 1920 door de gemeente verleend. Deze oven had een oppervlakte van 10 bij 10 m en kon 240.000 stenen bevatten, vervaardigd van leem uit het betreffende perceel. De locatie aan de Kruisstraat leverde in eerste instantie problemen op, omdat de installatie zich volgens de gemeente Kerkrade te dicht bij de openbare weg bevond, waardoor voorbijgangers overlast konden ondervinden van de hitte en de rook. Nadat het ontwerp was aangepast kreeg de Domaniale alsnog de vereiste vergunning, zodat de mijn tijdens de campagne 1920 over vier ovens kon beschikken. Aannemer Hendrik Cremers uit Meers-Elsloo kreeg de opdracht om voor de Domaniale Mijn ruim 2,5 miljoen stenen te bakken. Bepaald geen sinecure als we bedenken dat al het werk met de hand moest gebeuren.

Jaar Productie
1909 900.000 st
1910 750.000 st
1911 850.000 st
1912 1.500.000 st
1913 1.000.000 st
1914 2.000.000 st
1915 2.500.000 st
1916 2.250.000 st
1917 1.500.000 st
1918 1.750.000 st
1919 1.000.000 st
1920 2.500.000 st
1921 1.000.000 st

Productie van veldbrandstenen
op de Domaniale Mijn


In de steenbakkerij aan de Kruisstraat werkten drie mannen en op de Vroenstraat vijf. Cremers kreeg alle spullen in bruikleen, zelfs de koffiemolen werd door de mijn verstrekt. Uiteraard moest hij daarvoor een bruikleenbewijs tekenen, want stel dat er iets kwijt raakte..

Veldbrandsteen

Door de opkomst van grote steenfabrieken met ringovens, waar de stenen op seriematige wijze konden worden geproduceerd, kwam vanaf de jaren ’20 geleidelijk een eind aan het brikkenbakken in het veld. De campagne van 1921 was de laatste op de Domaniale Mijn. Waarschijnlijk was de leemvoorraad op de terreinen van de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij op dat moment ook wel zo’n beetje uitgeput. In 1920 richtte de gemeente Kerkrade een eigen steenfabriek op, die al na enkele jaren met zware verliezen moest worden gesloten.

De Ringovenstraat in Geleen herinnert aan de steenfabriek Maurits.

Hoewel het veldbranden allang tot het verleden behoort, komen we de handgevormde veldbrandstenen met hun kenmerkende rode en blauwe kleurschakeringen en onregelmatige vormen in Limburg nog steeds op veel plaatsen tegen. Onder andere het schachtgebouw van de Oranje Nassaumijn I in Heerlen, waar het Nederlands Mijnmuseum is gevestigd, is uit deze steensoort opgetrokken.

Gevel van oude veldbrandstenen. Let op de kleurverschillen tussen de stenen, het gevolg van onregelmatigheden in het bakproces.

Geraadpleegde bronnen:

- Regionaal Historisch Centrum voor Limburg (RHCL) - Plaatsingslijst 17.04.

- Ir. C.A. van Goudoever de Jongh - Neerlands Welvaart, de Staatsmijnen. Amsterdam, 1918

- M. Kemp - Mijn en spoor in goud. Jubileumuitgave. Maastricht, 1952.

- J. Driessen - Kerkrade in oude ansichten. Zaltbommel, 1974.

top
 top