Zondag 5 februari 2012
De sloop van de Domaniale MijnOp vrijdag 18 juni 1971, klokslag om 15 uur ging het laatste bouwwerk van de oudste steenkolenmijn van Nederland tegen de vlakte. Vanaf de parkeerplaats aan de Straterweg in Kerkrade keken enkele tientallen oud-mijnwerkers met een brok in de keel toe hoe schachtbok Willem II langzaam omver kantelde. Sirenegeloei, een harde plof en dan.. doodse stilteVoor de schietmeesters van aannemer Couwenbergh uit Geleen was het de apotheose van anderhalf jaar sloperswerk in Kerkrade. De afbraak was in feite al in 1968 begonnen toen mijnpersoneel met primitief gereedschap de eerste schoorsteen omhakte. Maar het echte werk begon op 5 januari 1970, ruim vier maanden nadat de laatste wagen met Domaniale antraciet naar boven was gehaald.
Oud-mijnwerkers kijken toe hoe schacht Willem II het loodje legt ‘Alles moet plat’Had de mijnsluiting een paar decennia later plaatsgevonden, dan waren ongetwijfeld enkele karakteristieke bedrijfsgebouwen als monument gespaard gebleven. Maar in de jaren zeventig had de overheid nog niet zoveel oog voor de historische waarde van ons industrieel erfgoed. De mijnterreinen moesten zo snel mogelijk worden schoongeveegd om plaats te maken voor nieuwe industrieën en woonwijken. Het Industrieschap Oostelijk Mijngebied probeerde met fotoboeken zoals Come to South-East Limburg nieuwe investeerders te lokken. In die juichende brochures werd het ‘zwarte verleden’ van de mijnstreek zoveel mogelijk weggemoffeld.
De gebouwen van het ABP en winkelcentrum ’t Loon waren in de jaren zestig hét symbool van de industriële omschakeling van Zuid-Limburg. In het midden zien we nog net een glimp van de Oranje Nassaumijnen. Voer voor specialistenHet slopen was geen eenvoudige klus. Het bovengrondse complex bestond uit een samenraapsel van fabriekshallen, schachten, schoorstenen, kantoorgebouwen, kolenbunkers, een spoorwegemplacement, enz. Daar tussendoor liep een wirwar aan buizen, kabels, rails en transportbanden. Alles zat onder een dikke laag kolenstof die bij regen veranderde in een vieze zwarte smurrie. De meeste gebouwen stamden uit het begin van de twintigste eeuw en waren zo solide gebouwd dat ze alleen met behulp van explosieven omver waren te halen. De liquidatie van de Domaniale Mijn Maatschappij was in handen van de N.V. Staatsmijnen, die de sloop had uitbesteed aan de Aannemings-, Handels- en Transportonderneming Couwenbergh N.V. uit Geleen. Bij de start van de werkzaamheden werkte een staf van ongeveer 50 man op het Domaniale terrein, bestaande uit gespecialiseerd personeel van Couwenbergh, aangevuld met oudere mijnwerkers van de Domaniale Mijn die bij de slopersfirma tewerk waren gesteld. Zij werden ondersteund door bulldozers, draglines, hijskranen en hydraulische baggermachines. Een eigen diesellocomotief, de vroegere Staatsmijnen nr 124, vervoerde de spoorwagens met staalschroot via het mijnspoor naar Spekholzerheide. Met het vrijkomend puin, in totaal zo’n kwart miljoen ton, werden de slikgaten bij schacht Nulland gevuld.
De Deutz diesel KK 140B van de Domaniale aan het werk bij de afvoer van schroot van het mijnterrein. 850 kilo springstofHet eerste ‘hoogtepunt’ was de val van de oude, kleine koeltoren op 18 maart 1970. Kort daarna volgden de ketelhuizen, de schoorsteen, de grote koeltoren en de beide kolenwasserijen. Bij de sloop van de grote koeltoren ging er van alles mis. Honderden mensen stonden met ingehouden adem toe te kijken hoe het betonnen gevaarte naar beneden zou komen. Na de explosie zakte de koeltoren twee meter door zijn poten en bleef toen gewoon rechtop staan. Alleen de spleet, die de slopersfirma had geboord, verwijdde zich tot ruim een meter. Nadat de stofwolken waren opgetrokken stonden de slopers verbouwereerd en teleurgesteld naar de nog wankelende toren te kijken, diep in hun hart hopend dat hij alsnog zou omvallen. Maar hij bleef muurvast staan. Pas bij een tweede poging enkele weken later ging de kolos tegen de vlakte.
De 36 meter hoge suspensie-kolenwasserij was zo gigantisch groot, dat deze niet in één keer omver kon worden geblazen. De slopers moesten het gebouw eerst met 10 kilo springstof in tweeën splitsen. Ook de sloop van kolenwasserij 2 vormde een ware uitdaging. De voorbereiding van dit grootste schietobject van Limburg duurde twee weken. In 129 speciaal geboorde gaten werden in totaal 258 patronen springstof aangebracht. Kunstmatig gecreëerde zwakke plekken in de gevel moesten ervoor zorgen dat het gebouw in de juiste richting zou instorten. Het dynamiet miste haar uitwerking niet, in enkele seconden bleef van het betonnen gevaarte slechts 7000 ton puin over. Op 8 april 1971 kwam de briketfabriek aan de beurt, korte tijd later gevolgd door schacht Willem I. En dan tenslotte de 48 meter hoge, stalen toren van hoofdschacht Willem II, die vanaf 1928 het aanzicht van de Hollendsje Koel had bepaald. Het probleem bij het omverschieten van deze schacht was dat deze midden tussen de gebouwen van de losvloer stond. Het was dus zaak eerst de gebouwen te ontmantelen voordat de schachtbok kon worden omgeschoten. Daartoe werd het gebouwencomplex met behulp van kabels in gedeelten omgetrokken. In totaal gebruikten de schietmeesters bijna 850 kilo munitie. Voor het vellen van de 600 ton zware schacht Willem II was overigens maar 2 kilo, 2 ons en 8 gram nodig, een staaltje precisiewerk van schietmeester P. Schols van het Geleense bedrijf.
Wasserij 2 gaat tegen de vlakte Na anderhalf jaar was het 17 ha grote mijnterrein bijna helemaal schoongeveegd. Alleen het historische portiershuisje bij de ingang van de mijn mocht nog heel even blijven staan. Toen dit tenslotte in augustus 1971 tegen de vlakte ging, kon portier en agent van mijnpolitie Thei Huyskens definitief met pensioen. Dat gold ook voor chef technische diensten J.W. Terporten uit Geleen, die als gepensioneerd hoofdopzichter van de Staatsmijn Maurits naar Kerkrade was gehaald om het sloopproces te begeleiden. Als laatste gingen de mijnhuizen aan de Mijnweg en de karakteristieke arbeiders- en opzichterswoningen aan de Nieuwstraat tegen de grond. Alleen de meer dan honderd jaar oude beambtenwoningen aan de Holzstraat 40 t/m 54 bleven gespaard van de slopershamer, al was er eind jaren zestig even sprake van dat ook deze huizen zouden worden afgebroken. Een nieuwe woonwijk verrijstBegin jaren tachtig verschenen de eerste woningen op de plek waar ooit Nederlands oudste steenkolenmijn had gestaan. Straten en pleinen kregen historische namen als Leyendecker, Athwerk, Grauweck, Feldbiss, Plattewei, Hemeling en Caplei. Allemaal steenkoollagen en breuken in de aardkorst in het concessiegebied van de oude abdijmijnen van Kloosterrade, het huidige Rolduc.
De contouren van de nieuwe woonwijk worden zichtbaar (bron: Kerkrade een stadsbeeld). Een paar jaar later moesten enkele voor- en achtertuinen in de nieuwe wijk deels worden afgegraven en van schone grond voorzien. Aan de sanering van de Limburgse mijnterreinen was weliswaar een uitvoerig onderzoek voorafgegaan, resulterend in de Studie Mijnterreinen van ir. Hoefnagels Projectpromotie uit Heerlen, maar deze studie richtte zich met name op de planologische, grondmechanische en financiële aspecten. Voor bodemkwaliteit bestond begin jaren zeventig nog nauwelijks belangstelling. Dat veranderde pas na de "affaire Lekkerkerk" in 1980. Na het uitvoeren van enkele proefboringen bleek ook de grond op het Domaniale terrein op sommige plaatsen verontreinigd te zijn met chemische stoffen (pak’s), afkomstig van teerresten uit de briketfabriek. Een kostbare bodemsaneringsoperatie was het gevolg. Tegenwoordig biedt het Domaniale terrein aan de bewoners een aantrekkelijke, groene leefomgeving, waar het goed toeven is. Behalve de straatnamen herinnert weinig meer aan het industriële verleden van de buurt. Met enige moeite is de plek, waar ooit schacht Willem II stond, te herkennen. En bij de vroegere poort 3 aan de Oude Schachtstraat vinden we een oud mijnwagentje naast het witte beeld van St. Barbara dat vroeger op het Maria Gorettiplein stond. Dat was het wel zo’n beetje, "Mieng Domaniaal, mie kuulsje an de jrens" is voorgoed verleden tijd.
Barbarabeeld bij de vroegere poort 3 aan de Oude Schachtstraat De volgende klusVoor de slopers zat het karwei er in 1971 op. Maar er stonden meer steenkolenmijnen op de nominatie voor sluiting en sloop. Ook de Staatsmijnen Emma, Maurits en Hendrik, de Oranje-Nassau mijnen I, II, III en IV en de Julia kwamen geheel of gedeeltelijk onder de slopershamer van Couwenbergh terecht. >> Bekijk meer foto’s van de sloop en van het omschieten van de wasserij. Geraadpleegde bronnen: - Come to South-East Limburg. Industrieschap Oostelijk Mijngebied, 1967. - Brochure firma Couwenbergh N.V., juni 1971. - Limburgs Dagblad van 17 juni 1971. - De Zuid-Limburger van 24 juni 1971. - Limburgs Dagblad van 24 februari 1976 en 24 juni 1976. |
|
|||||||