Zondag 5 februari 2012
Wilhelm Husmann, grondlegger van schacht NullandOp woensdag 15 juli 1931 was het groot feest in Kerkrade. Van de mijnschachten en veel woningen wapperde de vlag, terwijl het hoofdkantoor van de Domaniale Mijn was veranderd in één grote bloemenzee. Die dag vierde de 67-jarige technisch directeur Th.H.F.W. Husmann zijn zilveren ambtsjubileum en heel Kerkrade vierde met hem mee. Groot feest in Kerkrade’s Middags had in het bureaugebouw aan de Nieuwstraat een drukbezochte receptie plaatsgevonden, waar de directeur in alle mogelijke toonaarden was bejubeld en geprezen. ’s Avonds kreeg de jubilaris in het Munsterhotel in Roermond een diner aangeboden door de president-commissaris van de N.V. Domaniale Mijn Maatschappij, jhr. mr. F. Michiels van Kessenich, voorafgegaan door een lange reeks toespraken plus een serenade door de Kon. Harmonie van Roermond.
Programma voor de feestelijke herdenking op zondagavond 19 juli 1931. Maar het hoogtepunt van de festiviteiten was toch wel de feestavond op zondag 19 juli in zaal Jos. Schmitz in Strass, georganiseerd door de Beambtenvereniging der Domaniale Steenkolenmijnen te Kerkrade. Het eigen muziekkorps Bergkapelle en Prof. Melloc uit Amsterdam zorgden voor de muzikale omlijsting, waarbij uiteraard het bekende mijnwerkerslied Glück Auf, der Steiger kommt niet ontbrak. Een mijnwerkerszoon uit BardenbergWie was deze nestor van de Limburgse mijndirecteuren die in 1931 zo in het zonnetje werd gezet en naar wie de gemeente Kerkrade zelfs een straat heeft genoemd? Theodor Hubert Franz Wilhelm Husmann werd op 4 december 1863 geboren in het gehucht Pley bij Bardenberg (D) als oudste zoon van Theodor Wilhelm Husmann en Maria Hubertina Elisabeth Ross. Zijn vader was bedrijfsleider op de Neue Furth, een kolenmijntje op een paar kilometer afstand van de Nederlands-Duitse grens.
Het geboortehuis van Wilhelm Husmann aan de Alte Furth in Bardenberg (Pasen, 1923). Het huis bestaat vandaag de dag nog steeds. De jonge Wilhelm bracht zijn jeugd door in Bardenberg en Kohlscheid. In 1875 verhuisde de familie naar het Ruhrgebied, waar zijn vader tot directeur was benoemd van de steenkolen- en ijzerertsmijn Zeche Tremonia in Dortmund. Helaas was diens nieuwe job geen lang leven beschoren. De Kulturkampf van Bismarck - de strijd van de Pruisische overheid tegen de katholieke kerk - bereikte rond die tijd haar hoogtepunt. Husmann was een overtuigd katholiek, die zijn geloof niet onder stoelen of banken stak. De aandeelhouders van de mijnmaatschappij, de zgn. Kuxen, waren overwegend liberale protestanten met een sterk antikatholieke inslag, wat al na twee jaar leidde tot conflicten en uiteindelijk het ontslag van Theodor Husmann. Daar stond de directeur met vrouw en zeven kinderen op straat. In 1879 moest hij noodgedwongen een baantje als bedrijfsleider op de Zeche Neuessen in Altenessen aanvaarden. Ook daar bleef het noodlot hem achtervolgen. In 1887 overleed hij op 52-jarige leeftijd aan de gevolgen van een bloedvergiftiging in een kleine wond aan zijn vinger, die hij in de mijn had opgelopen. Zijn weduwe bleef met vijf zonen en twee dochters in behoeftige omstandigheden achter. Naar de Bochumer BergschuleDe 23-jarige Wilhelm Husmann had intussen de middelbare school in Dortmund afgerond en enkele jaren praktijkervaring opgedaan in de Westfaalse mijnen. In oktober 1887 slaagde hij voor de opleiding tot mijnopzichter aan de Oberklasse van de Bochumer Bergschule (mijnschool). In 1888 kreeg hij zijn eerste aanstelling als afdelingsopzichter op de kolenmijn Von der Heydt in Herne. Daarna was hij achtereenvolgens in dienst van de mijnen Mont Cenis en Shamrock, eveneens gelegen bij Herne. Na zes weken verruilde hij de Zeche Shamrock voor de kolenmijn Ver. Sälzer & Neuack bij Essen waar hij op 15 juli 1892 een tijdelijke aanstelling kreeg als hoofdopzichter. Husmann moet wel een uitblinker zijn geweest, want nog geen jaar later kreeg hij een vaste aanstelling als bedrijfsleider. Als jongeman van amper dertig jaar oud was hij verantwoordelijk voor het hele ondergrondse bedrijf van de Sälzer Neuack.
Treffen van de families Husmann en Backwinkel in Essen (1897). In 1891 trouwde hij in Essen-Altenessen met zijn jeugdliefde Clara Maria Schroer uit Altenessen. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, zoon Willy (1893) en dochter Clara (1895). Jammer genoeg kende de gelukkige verbintenis een treurig einde. Op 17 juni 1895, kort na de geboorte van het tweede kind, overleed zijn echtgenote op 27-jarige leeftijd. Daarmee was het rampjaar 1895 voor Wilhelm Husmann nog niet ten einde. In hetzelfde jaar verloor hij zijn moeder Hubertine Ross en ook zijn drie maanden oude dochter Clara. Na het overlijden van zijn echtgenote bleef Wilhelm nog een paar jaar in het kleine huis aan de Sälzerstrasse in Neuessen wonen. Zijn schoonfamilie nam de opvoeding van zijn zoontje Willy voor haar rekening, want door zijn drukke baan op de mijn had Husmann nauwelijks tijd om zich met de opvoeding te bemoeien. Veertien gelukkige jaren op de Sälzer Neuack
Martha en Wilhelm Dan leert hij zijn tweede vrouw Martha Emilie Backwinkel kennen. Zij was de oudste dochter van Wilhelm Diedrich Backwinkel, directeur van de kolenmijn Ver. Helene & Amalia in Essen. Husmann trof Backwinkel regelmatig voor zakelijke besprekingen thuis en zo leerde hij diens dochter kennen. In augustus 1897 trad het jonge stel in het huwelijk. Het waren gelukkige jaren, daar in Essen. Wilhelm Husmann verkeerde met zijn beambtensalaris in redelijke welstand, zodat het jonge stel zich zelfs een groter huis pal tegenover de mijnpoort kon permitteren. In Essen werden - naast Willy en Clara uit het eerste huwelijk - nog zes kinderen geboren. Tijdens de veertien jaar op de Ver. Sälzer & Neuack wist Husmann, die afgezien van zijn opleiding op de mijnschool een echte autodidact was, door zelfstudie zijn kennis verder te verbreden. Hij bezat een omvangrijke bibliotheek, was geabonneerd op vaktijdschriften waaronder het bekende blad Glückauf en was actief lid van de Kruppsche Bildungsverein. Daar woonde hij lezingen en cursussen bij en moest hij soms ook zelf voordrachten geven. In zijn schaarse vrije tijd bezocht hij kegelavonden in het beambtencasino of speelde hij skaat, een kaartspel dat hij perfect beheerste en dat hij tot op hoge leeftijd met enig fanatisme in de familiekring is blijven spelen. Bergwerksdirektor op de Hollendsje KoelIn 1906 solliciteerde hij met succes naar de functie van Bergwerksdirektor op Domaniale Steenkolenmijnen in Kerkrade. Die kolenmijn zocht een opvolger voor directeur baron Otto von Pelser-Berensberg, die Nederlands consul in Aken was geworden. Nog in hetzelfde jaar verhuisde hij naar Kerkrade, waar hij met zijn gezin de nieuwe directeursvilla aan de Holzstraat 59 betrok. De prachtige villa - in Kerkrade Hochhaus of heel oneerbiedig Kingerfabriek genoemd - bezat een parkachtige tuin, omgeven door een hoge muur met een smeedijzeren toegangshek. Op de voorgevel prijkte het mijnwerkerssymbool Schlegel und Eisen en het wapen van de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij (AMSM) bekroond met het jaartal 1916 (lees meer in het artikel Mijnhuizen in Kerkrade, vroeger en nu).
Tekening van de verbouwing van de directeurswoning "Hochhaus" in Kerkrade. Rechts het oude gedeelte uit 1904 en links het nieuwe deel uit 1916 (archief RHCL). De overgang van het Ruhrgebied naar het landelijke Kerkrade was voor de familie Husmann een ware verademing. In Essen woonden ze in een te krap huis midden in de stad, met een deprimerend uitzicht op de gashouders van de Krupp fabrieken. Letterlijk en figuurlijk onder de rook van de mijn. Heel anders dan in hun nieuwe woonplaats Kerkrade, waar begin vorige eeuw nog een gezapige rust heerste. De villa op de Holz lag op enkele honderden meters van het mijnterrein aan de Nieuwstraat en was omgeven door de korenvelden van de hoeve Kloosterrade. Van drukte en stank hadden de Husmannen op de Holzstraat geen last. Het is goed toeven in de oude mijnstadHet was goed toeven in de oude mijnstad, waar het standsverschil toen nog hoogtij vierde. Als directeur van de plaatselijke steenkolenmijn genoot Husmann bij de Kerkraadse bevolking een hoog aanzien. Zoals gebruikelijk in die tijd had het gezin een hele schare personeel tot haar beschikking, variërend van dienstbode, kindermeisje en tuinman tot koetsier en klusjesman. Voor zijn vele reizen was hij aangewezen op de twee koetsen van de mijn: de voorname Landauer, getrokken door twee paarden en de Halbverdeck (sjees), een kleine koets voor het lichtere werk. Pas in 1916 kreeg Husmann een directieauto tot zijn beschikking met (ex)koetsier Hissel als vaste chauffeur. Men zou een luxueuze levensstijl verwachten, doch niets is minder waar. Husmann was een sober en bescheiden mens. Hij voelde zich niet beter dan anderen en voedde zijn kinderen in dezelfde geest op. Zo gaat het verhaal dat hij niet, zoals de andere notabelen, op een gereserveerde plaats vooraan in de Lambertuskerk wilde zitten, maar liefst tussen de mijnwerkers, ergens achteraan waar nog een plaatsje vrij was in een van de banken. In het Hochhaus in Kerkrade werden nog zes kinderen geboren, waarvan zoon Erich enkele maanden na zijn geboorte overleed. In 1915 volgde nog een zware klap. Dochter Else overleed op 15-jarige leeftijd aan de gevolgen van een slopende ziekte. Zij werd begraven op het kerkhof van de parochiekerk St. Lambertus in Kerkrade, waar haar sobere grafsteen bijna honderd jaar later nog steeds te vinden is.
Rond de eeuwwisseling is de Domaniale Mijn nog een klein, slecht geoutilleerd bedrijf. Een ouderwets bedrijfje, prima antracietToen Husmann in 1906 aantrad was de Domaniale Mijn een technisch verouderd, arbeidsintensief bedrijf. Er was maar één productieschacht in gebruik (de Willemschacht of Grand Bure uit 1828), die niet verder reikte dan de 200 meter-verdieping. De afbouw vond grotendeels met de hand plaats en het ondergronds transport gebeurde door slepers en paarden. Kennis en kunde waren genoeg voorhanden, maar het benodigde geld voor vernieuwing ontbrak. De exploitant, de AMSM, zuchtte onder het juk van het wurgcontract met de Nederlandse Staat uit 1880, waardoor er nauwelijks ruimte was voor nieuwe investeringen. Toch moest er snel iets gebeuren, anders zou het bedrijf niet overleven in de concurrentiestrijd met de andere Limburgse mijnen die toen net in opkomst waren. De nieuwe directeur kon meteen aan de slag. Twee jaar voor zijn komst had de maatschappij al besloten tot de aanleg van een nieuwe luchtschacht in het kolenrijke Noordveld (schacht Beerenbosch) waarvoor in 1905 de eerste schop de grond in ging. Ook in het Westveld bij Klein-Neuland was een nieuwe lucht- en transportschacht (schacht Nulland) gepland. Het afdiepen van deze schachten nam Husmann voortvarend ter hand, daarbij ter zijde gestaan door zijn hoofdopzichter en latere bedrijfsinspecteur Nic. Jos. Nievelstein. De bedrijfsleiding moest de plannen allemaal zelf bedenken en uitwerken, want een mijnbouwkundige staf had men niet. Ook de uitvoering van de werken gebeurde bijna altijd in eigen beheer door personeel van de mijn.
Om het kolentransport te verbeteren liet Husmann op de kolenposten schudgoten aanleggen (1921).
De veiligheid van de mijnwerkers stond bij Husmann hoog in het vaandel (1921). Husmann had in de Duitse mijnen ervaren dat een goedwerkend transportsysteem de ruggengraat vormt van elk modern mijnbedrijf. Een van zijn prioriteiten was dan ook de vervanging van het verouderd transportsysteem onder de grond door transportbanden en schudgoten. Om de toevloed van mijnwater te keren moderniseerde hij de ondergrondse waterhuishouding, net als de luchtverversing in de mijn. Een belangrijke maatregel ter voorkoming van mijnschade aan huizen was de introductie van het zgn. Spülversatzverfahren, het vullen van geroofde mijngangen met een mengsel van water, zand en stenen. In het ondergronds bedrijf vervingen stoommachines en stoompompen de menselijke arbeid. Ook in het bovengronds bedrijf vonden talrijke verbeteringen plaats. Zo kwam er een tweede ketelhuis gereed voor de productie van stoom, werd het spoorwegemplacement aanzienlijk uitgebreid en werden de metershoge niveauverschillen in de spoordijk in De Ham geëgaliseerd, zodat de kolentreinen op hun weg naar Simpelveld minder brandstof verbruikten. Belangrijke vernieuwingen die minder in het oog sprongen, waren de oprichting van een eigen mijnmeterij (Markscheiderei), het inrichten van een verbandkamer (met verbandmeester en dialectdichter Joep Geilenkirchen aan het hoofd) en het opzetten van een ondergrondse reddingsbrigade. Deze laatste vernieuwingen kwamen voornamelijk voort uit het nieuwe Nederlandse Mijnreglement 1906, dat strenge eisen stelde aan de veiligheid in de mijnen.
De Rode Kruis transportcolonne van Kerkrade. Zittend vrnl dr. Widdershoven, directeur Husmann, hoofdopzichter Nievelstein een onbekende dame. Op de achtergrond staat de ambulance (1915). Husmann leefde voor de mijn en de mijn was HusmannHusmann was een lange, statige man met een korte zwarte baard. Iemand die alleen al door zijn statuur bij de mijnwerkers respect afdwong. Hij was een echte control-freak, zijn oog zag letterlijk alles. Hij was haast overal, niets ontging hem, noch in de mijngangen, noch op de losvloer, noch in de werkplaatsen, noch op de emplacementen, noch op de schachten Nulland en Beerenbosch. Menigmaal stond hij ‘s morgens om half zes bij de poort te controleren of de mijnwerkers wel op tijd voor de ochtendsjiech waren. Minstens eenmaal per week daalde hij af voor een inspectietocht door de donkere mijngangen. Dan ging bij de mijnwerkers een waarschuwing van mond tot mond "Doa kunt d’r sjwatse". Die bijnaam hield hij de rest van zijn leven, zelfs toen zijn baard al lang grijs was geworden. In de gastvrije villa Husmann was het een komen en gaan van kennissen, familie en vrienden. Veel Nederlandse vrienden had Husmann overigens niet, het waren vooral Duitsers die bij hem over de vloer kwamen. Daaronder veel oude bekenden uit zijn werkzame tijd in de Ruhrpott. In Kerkrade had hij alleen met de aalmoezenier van de mijnwerkers en enkele priester-leraren van Rolduc een goede persoonlijke band. Met de burgemeester, de plaatselijke notabelen en de directieleden van de andere Limburgse mijnondernemingen onderhield hij niet meer dan zakelijke contacten. Husmann was populair bij zijn personeel, was sociaal betrokken maar bewaarde - zoals het een heer van stand betaamt - altijd enige afstand in de omgang. Van persoonlijke contacten met arbeiders was zelden of nooit sprake. Behalve in geval van mijnschade. Dan ging hij tijdens zijn wekelijkse rondgang per koets persoonlijk bij de gedupeerde thuis langs om de schade op te nemen en de zaak in den minne te schikken.
De familie Husmann (Aachen, 1921). Schacht Nulland, mijnmonumentIn 1915 startte het verder afdiepen van hoofdschacht Willem van de 200 naar de 260 meter-verdieping, zodat nieuwe kolenlagen in ontginning konden worden genomen. Dat was hard nodig, want de vraag naar steenkool voor de binnenlandse markt was door de Eerste Wereldoorlog enorm toegenomen. Een van de grootste uitdagingen voor de directie was wel om voldoende arbeidskrachten te vinden om de nieuwe kolenlagen te ontginnen. Rond 1920 kwam op Beerenbosch een nieuwe lucht- en productieschacht gereed (Beerenbosch II). In diezelfde periode kwamen ook de oorspronkelijke plannen om van schacht Nulland een productieschacht te maken tot uitvoering. De schacht werd afgediept tot op de 260 meter-verdieping en de toren verhoogd en voorzien van schoorbogen. Vooral op dit laatste gebouw, gelegen pal naast de zijtak van de spoorlijn Aken-Maastricht, wist Husmann zijn persoonlijke stempel te drukken. De markante schachttoren, het huidige mijnmonument schacht Nulland, werd door hem ontworpen en onder zijn toezicht gebouwd. Het gebouw is sinds 1980 een rijksmonument en behoort - hoewel de tand des tijds haar sporen duidelijk heeft achtergelaten - nog steeds tot een van de architectonische parels van de gemeente Kerkrade.
Mijnmonument schacht Nulland (foto © Paul Geilenkirchen, 2003). Al die verbeteringen van de infrastructuur misten hun uitwerking niet. Tussen 1906 en 1920 ging de productie omhoog van 224.000 ton tot 549.000 ton. In dezelfde periode steeg het aantal werknemers van 825 tot meer dan 2600 man. Toch bleef de winst bescheiden, vooral omdat de mijnen vanwege de kolenschaarste na de Eerste Wereldoorlog wettelijk verplicht waren hun hele productie ter beschikking te stellen van het Rijkskolenbureau dat de distributie regelde en de prijzen vaststelde. Kerkrade staakt!Daarna volgden een paar roerige jaren. In 1919 waren de AMSM en de regering na jarenlange onderhandelingen overeengekomen dat de maatschappij het recht van exploitatie voor drie miljoen gulden zou terugverkopen aan de Staat. De Domaniale Mijn zou daarmee weer een staatsmijn worden. Vooruitlopend op zijn nieuwe status als ambtenaar liet Husmann zich naturaliseren tot Nederlander. De geplande verkoop ging echter op het laatste moment niet door. De Rotterdamse havenbaron Willem van der Vorm had op de Berlijnse beurs een meerderheidspakket aandelen in handen weten te krijgen en sprak op de algemene aandeelhoudersvergadering van 12 november 1919 zijn veto uit over de voorgenomen verkoop. De nieuwe aandeelhouders wilden de mijn behouden en winstgevend maken, onder voorwaarde dat de minister van Financiën instemde met een redelijker verdeling van de winst. Opnieuw begonnen onderhandelingen maar de partijen werden het niet eens. Van der Vorm c.s. lieten het er niet bij zitten en besloten een zwaarder wapen in te zetten: loonsverlagingen. Het was de opmaat tot de langste mijnwerkersstaking in de geschiedenis van de Limburgse mijnbouw (lees verder in De grote mijnwerkersstaking van 1921.)
Vier hoofdrolspelers: vlnr directeur Husmann, voorzitter Raad van Bestuur Van der Vorm, juridisch adviseur Knottenbelt en hoofdopzichter Nievelstein In datzelfde jaar volgde nog een tegenslag. Op 24 oktober 1920 werd zijn collega Rütgers geschorst in verband met een onderzoek naar administratieve onregelmatigheden die hij samen met de kassier zou hebben gepleegd, de zgn. Markenschwindel. Rütgers moest zich voor het directieberaad in Rotterdam verantwoorden, waarna hij op staande voet werd ontslagen. Hij werd als commercieel directeur opgevolgd door de jonge A.J.M. (Lou) Hulsman afkomstig uit Huissen, die enkele jaren later op 44-jarige leeftijd onverwachts overleed. Op weg naar een modern bedrijfRond 1924 begonnen de gloriejaren voor de technisch directeur. De nieuwe pachtovereenkomst met de Staat maakte het voor de nieuwe eigenaren weer aantrekkelijk om kapitaal in de onderneming te steken. Husmann ontwierp samen met bedrijfsinspecteur Nievelstein een gedetailleerd plan voor een nieuwe mijnzetel aan de Nieuwstraat, waarvoor de totale investeringskosten ca. vijf miljoen gulden bedroegen. Tussen 1924 en 1929 onderging het sterk verouderde mijnbedrijf een ware metamorfose. De meest in het oog springende vernieuwing betrof wel de aanleg van de dubbele productieschacht Willem II, een vierkante liftkoker die 500 meter diep in de aardbodem verdween. Het afdiepen was een complexe zaak, vooral door de aanwezigheid van een sterk-waterhoudende laag drijfzand in het dekterrein. Een paar keer vonden instortingen plaats en moesten de mijnbouwers noodgedwongen hun werkzaamheden staken (lees verder in Een krantenbericht uit 1927. De modernisering van het bedrijf wierp al snel haar vruchten af. Tussen de oprichting van de maatschappij in 1925 en het gereedkomen van de nieuwe installaties in 1930 steeg de jaarproductie van 700.000 ton naar ruim 1.000.000 ton. Het voert te ver om dit alles op het conto van Husmann te schrijven maar zonder zijn inbreng was van die grootse plannen waarschijnlijk weinig terechtgekomen. "Der Betrieb läuft wie ein Automat" placht hij te zeggen na zijn dagelijkse rondgang door het bedrijf.
Foto van schacht Willem II uit het fotoalbum van Husmann(1930). Malaise in het mijnbedrijfIn zakelijk opzicht ging het de mijnmaatschappij minder voor de wind. In 1920 kwam een einde aan de gunstige situatie op de kolenmarkt en zette een prijsdaling in die ruim vijf jaar zou duren. De malaise in de mijnindustrie leidde tot het ontslag van honderden mijnwerkers, in eerste instantie vooral Duitsers, later ook Nederlanders onder wie mijnwerkers die al tientallen jaren op de Domaniale Mijn werkten. De directie legde zgn. Feierschichten in (verplichte vrije dagen), terwijl de lonen van de arbeiders stapsgewijs werden gekort. Naast de slapte in het mijnbedrijf speelde ook een discussie over de grootte van de kolenvoorraad het bedrijf parten. In de kranten verschenen artikelen over de mogelijke uitputting van de Domaniale Mijn binnen vijfentwintig jaar, waarbij door deskundigen openlijk werd getwijfeld aan het nut van alle investeringen. Het gemeentebestuur van Kerkrade, dat zich ernstige zorgen maakte over het behoud van de werkgelegenheid in de stad, vroeg de deskundige mening van de Hoofdingenieur der Mijnen Blankevoort, die het gerucht aan wethouder Koken bevestigde. Later bleek het allemaal mee te vallen maar dat wist men toen nog niet. Met pensioenOp 1 juli 1932 ging Wilhelm Husmann op 68-jarige leeftijd met pensioen, kort voordat de crisis van de jaren dertig in alle hevigheid losbarstte. Tijdens de Algemene Vergadering van aandeelhouders van de Domaniale Mijnmaatschappij werd hij benoemd tot commissaris van de vennootschap en ontving hij uit handen van president-directeur Michiels van Kessenich het Officierskruis in de Orde van Oranje-Nassau. Zijn opvolger was ir. J.F. Fock, afkomstig van de Staatsmijn Hendrik en op dat moment al enige tijd als mijnbouwkundig ingenieur in dienst van de Domaniale Mijn.
Husmann geniet in Vaals van zijn oude dag (1934). Husmann ging na zijn pensionering in de historische Cereshoeve in Vaals wonen. Daar genoot hij nog elf jaar van een rustige oude dag. Hij bracht zijn tijd door met kranten lezen, lange wandelingen maken, studeren en af en toe een collegiaal advies. Over eenzaamheid had hij niet te klagen, familie en vrienden kwamen graag bij hem over de vloer. Zijn vijfenzeventigste verjaardag werd groots gevierd. Een hele schare familieleden nam deel aan het feest en ook de directie en commissarissen van de Domaniale Mijn Maatschappij gaven acte de présence. Op 20 oktober 1943 overleed hij op bijna 80-jarige leeftijd in Vaals. Enkele dagen later werd hij op het kerkhof van de St. Lambertus parochie in Kerkrade onder grote belangstelling bijgezet in het familiegraf, hetzelfde graf waarin zijn echtgenote vijftien jaar eerder ter aarde was besteld. De Bergkapel begeleidde hem onder het spelen van het mijnwerkerslied Glück Auf, der Steiger kommt naar zijn laatste rustplaats.
EpiloogDoor het vakmanschap en de grote inzet van Wilhelm Husmann groeide de Domaniale Mijn tijdens zijn zesentwintigjarig directeurschap uit van een primitieve kolenmijn tot een modern mijnbedrijf. Hij was niet alleen een geboren leider, streng en rechtvaardig, maar ook een betrokken, humaan mens die altijd het beste voor had met ‘zijn’ kompels. Kenmerkend waren zijn woorden "Halb so schlimm" als er op de mijn weer eens een ernstig ongeluk was gebeurd en hij op zijn eerste vraag of er mensen gewond waren te horen kreeg dat het alleen de kolen betrof. Als er geen persoonlijk ongeluk is gebeurd, dan is het niet zo erg. De Kerkraadse gemeenschap heeft haar groei en bloei voor een belangrijk deel aan hem te danken. Reden waarom de gemeentelijke straatnamencommissie in 1985 in de wijk Bleijerheide een straat naar hem noemde, die zich - hoe kan het anders - dicht bij het vroegere mijnterrein bevindt. Maar het grootste eerbetoon aan deze populaire directeur was toch het aanwijzen van schacht Nulland tot rijksmonument in 1980. Een indrukwekkender gedenkteken kan een mijndirecteur zich niet wensen. DIT IS EEN SAMENVATTING VAN MIJN ARTIKEL IN "KERKRADE ONDERWEG", DEEL XV, ISBN-nr: 978 90 70246 29 7. VANAF 24 NOVEMBER 2011 VERKRIJGBAAR BIJ BOEKHANDEL DEURENBERG IN KERKRADE. Geraadpleegde bronnen: - Husmann. Chronik einer deutsch-niederländischen Familie. Versie 0.8 d.d. 2003. - RHCL - 17.04 Archief Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij. - Limburger Koerier, 5 oktober 1927. - Geologie en Mijnbouw. 10e jaargang, nr 7. 16 juli 1931. - De Zuid-Limburger, 9 juli 1931. - Jozef Aretz - Kohlscheider Bergwerke. Herzogenrath 1986. - Jo Bischoff - Wöad en Zagenswies op de Hollendsje Koel. Kerkrade, 1986. |
|
||||||