Dinsdag 7 september 2010

Biografie van directeur Wilhelm Husmann

door Paul Geilenkirchen

Op woensdag 15 juli 1931 was het groot feest in Kerkrade. Van de mijnschachten en van veel woningen wapperde de vlag terwijl het hoofdkantoor van de Domaniale Mijn aan de Nieuwstraat was veranderd in een grote bloemenzee. Die dag vierde de 67-jarige technisch directeur Th.H.F.W. Husmann zijn zilveren ambtsjubileum en heel Kerkrade vierde met hem mee.

Groot feest in Kerkrade

’s Middags had in het bureaugebouw aan de Nieuwstraat een druk bezochte receptie plaatsgevonden waar de directeur in alle mogelijke toonaarden was bezongen en geprezen. Een groot aantal wereldlijke en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders gaf acte de présence, waaronder de directies van andere steenkolenmijnen, het gemeentebestuur van Kerkrade, de Hoofdingenieur der Mijnen ir. Blankevoort, de voorzitter en de secretaris van de R.K. Mijnwerkersbond, directeur Van de Venne van Rolduc en diverse burgemeesters. De voorzitter van de beambtenvereniging Nic. Jos. Nievelstein schonk de directeur namens het personeel een olieverfschilderij van de bekende Limburgse priester-schilder Jean Adams uit Rolduc. Verder kreeg hij een album cadeau met de portretten van alle 165 beambten, hulpbeambten en gepensioneerden.

Programma voor de feestelijke herdenking op zondagavond 19 juli 1931.

Woensdagavond kreeg de jubilaris in het Munsterhotel in Roermond een diner aangeboden door de president-commissaris van de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij jhr. mr. F. Michiels van Kessenich, voorafgegaan door een lange reeks toespraken plus een serenade door de Kon. Harmonie van Roermond.

Hoogtepunt was de feestavond in zaal Jos. Schmitz in Strass, vlak over de grens aan de Nieuwstraat, georganiseerd door de Beambtenvereniging der Domaniale Steenkolenmijnen te Kerkrade. Het eigen muziekkorps Bergkapelle en Prof. Melloc uit Amsterdam zorgden voor de muzikale omlijsting waarbij uiteraard het bekende mijnwerkerslied "Glück Auf, der Steiger kommt" niet ontbrak. En alsof het allemaal niet genoeg was, werd hij op 25 augustus in het gebouw van de Mijnvereniging in Heerlen ook nog eens gefêteerd door zijn collega-mijndirecteuren, waarbij hij een zestig centimeter hoog bronzen beeld van een mijnwerker cadeau kreeg.

Naar de Bochumer Bergschule

Wie was deze nestor van de mijndirecteuren die in 1931 zo in het zonnetje werd gezet? Theodor Hubert Franz Wilhelm Husmann wordt op 4 december 1863 geboren in Bardenberg (Pruissen) als oudste kind van Theodor Wilhelm Husmann en Maria Hubertina Elisabeth Ross. Hij komt ter wereld op de feestdag van St. Barbara, de patroonsheilige van de mijnwerkers. Een beter gesternte is voor een zoon uit een mijnwerkersgezin welhaast niet denkbaar.

Treffen van de families Husmann en Backwinkel in Essen (1897).

Zijn vader Theodor Husmann is bedrijfsleider van de Neue Furth bij Pley, indertijd de grootste en belangrijkste steenkolenmijn in het Wormdal. Deze kolenmijn geniet vooral bekendheid door de Fahrkunst, een mechanisme van op en neer gaande ladders waarover de mijnwerkers in de schacht konden afdalen of naar boven konden gaan. Te vergelijken met het lunapark op de kermis en in de negentiende eeuw door velen beschouwd als een soort achtste wereldwonder. De Fahrkunst werd aangedreven door een waterrad in de rivier De Worm, dat tevens een dubbele pomp voor de afvoer van mijnwater aandreef. Het in 1857 aangelegde systeem reikte tot een diepte van 140 meter.

Tip: de Carboonroute voert langs het bedrijfsgebouw van de Neue Furth, dat nu in gebruik is als woonhuis. Zie ook Wandelen en fietsen langs sporen van de mijnbouw op deze site.

Nadat hij de middelbare school heeft doorlopen doet de jonge Wilhelm vier jaar praktijkervaring op in de mijnen in het Ruhrgebied. Op 25 jarige leeftijd rondt hij met succes de opleiding tot mijnopzichter op de Bergschule in Bochum af. Van 1888 tot 1892 werkt hij als ondergronds opzichter in enkele mijnen in Herne en aansluitend veertien jaar als hoofdopzichter en later bedrijfsleider in de aan Friedr. Krupp A.G. toebehorende kolenmijn Ver. Sälzer & Neuack bij Essen.

Martha en Wilhelm

Na een eerder huwelijk met de jong overleden Clara Maria Schroer (1868-1895) leert hij Martha Emilie Backwinkel (1876-1928) kennen, met wie hij in 1897 in Essen-Altendorf in het huwelijk treedt. Zij is een dochter van Wilhelm Backwinkel, de directeur van de kolenmijn Ver. Helene & Amalia in Essen. De ontmoeting tussen Martha en Wilhelm is niet geheel toevallig, want de kolenmijnen Ver. Sälzer & Neuack en de Ver. Helene & Amalia zijn buren. De beide mijnbesturen liggen regelmatig met elkaar in de clinch over de concessiegrenzen, dus men mag aannemen dat Husmann zijn toekomstige schoonvader zakelijk goed heeft gekend.

Directeur van de Domaniale Steenkolenmijnen

In 1906 solliciteert hij naar de vacature van directeur op de Domaniale Steenkolenmijnen in Kerkrade. Deze kolenmijn zoekt een opvolger voor directeur Otto von Pelser-Berensberg, die Nederlands consul in Aken is geworden. Op 15 juli 1906 krijgt hij een aanstelling tot "Bergwerksdirektor". Een maand eerder is de Duitser Wilhelm Rütgers uit Aken benoemd tot "Grubeninspektor", enkele jaren later gevolgd door een benoeming tot commercieel directeur. Husmann en Rütgers vormen het bestuur van de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij en zijn uit hoofde van hun functie tevens directeur van de N.V. Brikettenfabriek Limburg in Simpelveld, die gelieerd is aan de Domaniale Mijn.

Rütgers verhuist naar de directeurswoning op het mijnterrein, terwijl Husmann met zijn gezin de nieuwe directeursvilla aan de Holzstraat 59 in Kerkrade betrekt. Dit grote huis bezit negen kamers, een mansarde, kelder, zolder, stal, tuin en een grote boomgaard. Vanwege de gestage uitbreiding van de familie Husmann - het gezin telt uiteindelijk twaalf kinderen - ontwerpt het bouwbureau in 1915 een tweede huis links naast het eerste, waardoor het aantal kamers toeneemt tot twintig. De prachtige villa - in Kerkrade Hochhaus of heel oneerbiedig Kingerfabriek genoemd - heeft een parkachtige tuin, omgeven door een hoge muur met een 2,5 meter hoog smeedijzeren toegangshek. Op de voorgevel prijkt het mijnwerkerssymbool Schlägel und Eisen en het wapen van de AMSM met het jaartal 1916 (lees meer in het artikel Mijnhuizen in Kerkrade, vroeger en nu).

Tekening van de verbouwing van de directeurswoning "Hochhaus" in Kerkrade. Rechts het oude gedeelte uit 1904 en links het nieuwe deel uit 1916 (archief RHCL).

Als mijndirecteur geniet Husmann in het dorpse Kerkrade een hoog aanzien. Het is goed toeven in de oudste mijnstad, waar het standsverschil dan nog hoogtij viert. In de gastvrije Villa Husmann is het een komen en gaan van notabelen, directieleden, verre familie en vrienden. Zoals gebruikelijk in die tijd heeft het gezin een hele schare personeel tot zijn beschikking, variërend van dienstbode, kindermeisje en tuinman tot koetsier en klusjesman. Men zou een luxueuze levensstijl verwachten, doch niets is minder waar. Husmann is een sober en bescheiden mens. Hij voelt zich niet beter dan anderen en voedt zijn kinderen in dezelfde geest op. Zo gaat het verhaal dat hij geen gereserveerde plaats vooraan in de kerk wil, maar liefst naast en tussen de mijnwerkers zit, waar nog een plaatsje open is in een van de banken.

“Doa kunt d´r sjwatse”

Als Husmann in 1906 aantreedt is de Hollendsje Koel een klein, slecht geoutilleerd bedrijf. Er is maar één uitdelvingsschacht (de Willemschacht), terwijl de ontginning niet dieper gaat dan de 200 meter-verdieping. De afbouw vindt met de hand plaats in ouderwetse strook- en pilaarbouw en voor het ondergronds transport worden slepers en paarden ingezet. Kennis en kunde zijn genoeg voorhanden, maar het geld voor vernieuwing ontbreekt. De exploitant, de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij, zucht onder het juk van het wurgcontract met de Nederlandse Staat uit 1880, waardoor er nauwelijks ruimte is voor nieuwe investeringen. Toch moet er snel iets gebeuren, anders zal het bedrijf niet overleven in de concurrentiestrijd met de andere mijnen die dan net in opkomst zijn. Aan het product kan het niet liggen: de Domaniale antraciet is van uitstekende kwaliteit en wint op de Wereldtentoonstelling te Brussel in 1910 zelfs een gouden medaille.

De nieuwbakken directeur kan meteen aan de slag. Twee jaar voor zijn komst heeft de maatschappij al besloten tot de aanleg van een nieuwe luchtschacht in het kolenrijke Noordveld (schacht Beerenbosch) waarvoor in 1905 de eerste schop de grond in gaat. Ook in het Westveld is een nieuwe lucht- en transportschacht (schacht Nulland) gepland. Het afdiepen van deze schachten neemt Husmann voortvarend ter hand, daarbij ter zijde gestaan door zijn hoofdopzichter en latere bedrijfsinspecteur Nic. Jos. Nievelstein. Opvallend is dat hij de werken steeds door eigen personeel laat uitvoeren, zelfs de benodigde veldbrandstenen worden in eigen beheer gebakken. "Zuinigheid met vlijt" zal ook in latere jaren het devies blijven van deze kolenmijn, die niet voor niks de bijnaam ’t Tsentsekuulsje heeft.

Hoewel Husmann geen ingenieurstitel bezit, wordt hij dankzij zijn lange ervaring, helder verstand en praktisch inzicht gerekend tot de bekwaamste mijndirecteuren van zijn tijd. Hij is haast overal, niets ontgaat hem, noch in de mijngangen, noch op de losvloer, noch in de werkplaatsen, noch op de emplacementen, noch op de schachten Nulland en Beerenbosch. Zijn oog ziet letterlijk alles. Minstens eenmaal per week daalt hij in mijnwerkerspak af voor een inspectietocht door de donkere mijngangen. Dan gaat bij de mijnwerkers een waarschuwing van mond tot mond “Doa kunt d´r sjwatse”. Die bijnaam houdt hij de rest van zijn leven, zelfs als zijn baard al lang grijs is geworden.

Rond de eeuwwisseling is de Domaniale Mijn nog een klein, slecht geoutilleerd bedrijf.

Mijnmonument schacht Nulland

In 1915 begint het verder afdiepen van hoofdschacht Willem tot op de 260 meter-verdieping, zodat nieuwe kolenlagen in ontginning kunnen worden genomen. Al eerder heeft hij het verouderd transportsysteem onder de grond laten vervangen door transportbanden en schudgoten. Om de toenemende watervloed te keren moderniseert hij de ondergrondse waterhuishouding, net als de luchtverversing (Bewetterung) in de mijn. Het bovengronds bedrijf wordt uitgebreid met o.a. een nieuw ketelhuis. Belangrijke vernieuwingen die minder in het oog springen zijn de oprichting van een mijnmeterij (Markscheiderei), het inrichten van een verbandkamer (Verbandstube) en een reddingsbrigade.

Om het kolentransport te verbeteren liet Husmann op de kolenposten schudgoten aanleggen (1921).

Rond 1920 komt op Beerenbosch een nieuwe lucht- en productieschacht gereed (Beerenbosch II). In diezelfde periode komen ook de oorspronkelijke plannen om van schacht Nulland een productieschacht te maken tot uitvoering. De schacht wordt afgediept tot de 260 meter-verdieping en de toren wordt verhoogd en voorzien van schoorbogen. Met name op dit gebouw weet Husmann zijn stempel te drukken. De markante schachttoren, het huidige mijnmonument schacht Nulland, is door hem ontworpen en onder zijn toezicht gebouwd.

Al die verbeteringen missen hun uitwerking niet. Tussen 1906 en 1920 gaat de productie omhoog van 224.000 ton tot 549.000 ton. Omdat tegelijkertijd het aantal werknemers meer dan verdriedubbelt neemt de productiviteit per mijnwerker ondanks alle verbetermaatregelen verder af. Gelukkig is door de kolenschaarste tijdens de Eerste Wereldoorlog de vraag naar kolen groot, met name vanuit het buitenland. Intussen zijn ook de onderhandelingen tussen de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij en de regering over de pachtovereenkomst hervat, doch die zitten binnen de kortste keren weer muurvast.

De Rode Kruis transportcolonne van Kerkrade. Zittend vrnl dr. J.G.J. Widdershoven, directeur Husmann, hoofdopzichter Nievelstein een onbekende dame. Op de achtergrond staat de ambulance (1915).

De roerige jaren ’20

Tegen het einde van 1920 komt een einde aan de gunstige situatie op de kolenmarkt en zet een prijsdaling in die ruim vijf jaar zal duren. Dan komt voor Husmann de eerste tegenslag. Op 24 oktober 1920 wordt zijn collega directeur Rütgers geschorst in verband met een onderzoek naar administratieve onregelmatigheden die hij samen met de kassier zou hebben gepleegd (de zogenoemde Markenschwindel). Hij wordt ervan verdacht Marken uit te betalen tegen een koers van 59 cent en het verschil in eigen zak te steken. Rütgers moet zich voor het directieberaad verantwoorden, waarna hij op staande voet wordt ontslagen. Zijn opvolger is A.J.M. (Lou) Hulsman afkomstig uit Huissen.

Daarna volgen een paar roerige jaren. In 1919 zijn de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij en de regering overeengekomen dat de maatschappij het recht van exploitatie terugverkoopt aan de Staat. Vooruitlopend op zijn nieuwe status laat Husmann zich naturaliseren tot Nederlander. De geplande verkoop gaat evenwel op het laatste moment niet door. Het consortium Van der Vorm-Knottenbelt van de N.V. Scheepvaart- en Steenkolen-Maatschappij weet ongemerkt een meerderheid van de aandelen in handen te krijgen en spreekt een veto uit over de voorgenomen verkoop. De nieuwe aandeelhouders willen de mijn behouden en winstgevend maken, onder voorwaarde dat de minister van Financiën instemt met een redelijker verdeling van de winst. Opnieuw beginnen onderhandelingen maar de partijen worden het niet eens. Van der Vorm c.s. laten het er niet bij zitten en besluiten een zwaarder wapen in te zetten: loonsverlagingen. Het is de opmaat naar de langste mijnwerkersstaking in de geschiedenis van de Limburgse mijnbouw (lees verder in De grote mijnwerkersstaking van 1921.)

Vier hoofdrolspelers: vlnr directeur Husmann, voorzitter Raad van Bestuur Van der Vorm, juridisch adviseur Knottenbelt en hoofdopzichter Nievelstein

Vanaf nu zetelen Husmann’s broodheren niet meer in Aken en Maastricht maar in het ‘verre’ Rotterdam. De strijd tussen regering, vakbonden en Van der Vorm speelt zich af over de hoofden - of beter gezegd ruggen - van de mijnwerkers heen. Men mag aannemen dat dit voor Husmann een moeilijke periode is geweest. Hij zit in een voortdurend spagaat tussen de keiharde Rotterdamse havenbaronnen en de duizenden Kerkraadse kompels, die hij elke dag honger ziet lijden. Zijn collega directeur Hulsman is nog jong en onervaren, dus Husmann staat er vrijwel alleen voor. Na bijna zeven weken geeft de maatschappij op alle punten toe aan de eisen van de stakers en wordt de staking opgeheven. In 1924 bereiken de partijen tenslotte een akkoord over de pachtovereenkomst, waarna op 30 juni 1925 te Rotterdam de oprichting plaatsvindt van de N.V. Domaniale Mijn Maatschappij.

Een instorting met gevolgen

Opmerkelijk is dat Husmann zijn beambten voor een groot deel uit het arbeiderspersoneel rekruteert. In 1922 keert zich dat beleid tegen hem, als bij de aanleg van het nieuwe ketelhuis op Beerenbosch onverwacht het betonnen dak instort. Zes betonwerkers die op het dak aan het werk zijn, vallen ca. 12 meter naar beneden en moeten zwaar gewond in het ziekenhuis worden opgenomen. Wilhelm Husmann heeft de bouw laten uitvoeren door een metselaar die hij tot opzichter heeft benoemd. Deze man heeft hoegenaamd geen theoretische kennis van de berekening van dit soort constructies maar teert slechts op zijn praktische ervaring. Volgens gewoonte heeft de opzichter het gebouw met een betonnen dak van 15 cm dikte willen beleggen, echter de directeur heeft verzuimd te laten onderzoeken of de kapstanden tegen deze enorme massa beton bestand zijn. Als het dak voor driekwart gereed is stort het in, met alle gevolgen van dien.

Husmann wordt voor de rechter gedaagd, nadat justitie in Maastricht een uitgebreid onderzoek heeft laten instellen door een ingenieur-deskundige uit Aken. Zijn dochter Hilde neemt het exploit van de deurwaarder op 18 april 1923 aan de voordeur in ontvangst. De rechtbank in Maastricht acht hem schuldig aan het veroorzaken van lichamelijk letsel en veroordeelt hem tot een week hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Het zware vonnis is voor Husmann, die te goeder trouw heeft gehandeld, een klap in het gezicht die hij maar moeilijk kan verwerken.

De familie Husmann (Aachen, 1921).

Op weg naar een modern bedrijf

Dan beginnen de gloriejaren voor de technisch directeur. De nieuwe pachtovereenkomst van 1925 maakt het voor de eigenaren weer aantrekkelijk om kapitaal in de onderneming te steken. Het ontsluiten en ontginnen van de diepere kolenlagen vergt forse investeringen. Om de winstgevendheid op peil te houden moet de jaarlijkse productie omhoog naar minstens 750.000 ton en moeten de productiekosten worden gedrukt. Husmann ontwerpt samen met Nievelstein een gedetailleerd plan voor de modernisering van het bedrijf, waarvan de totale kosten ca. 5 miljoen gulden bedragen.

Tussen 1924 en 1929 ondergaat het sterk verouderde mijnbedrijf een ware metamorfose. De meest in het oog springende vernieuwing betreft wel de aanleg van de nieuwe productieschacht Willem II, een vierkante liftkoker die 500 meter diep de aardbodem in gaat. Aan de Nieuwstraat in Kerkrade verrijst een nieuwe, 50 meter hoge ijzeren schachtbok, die vanaf nu gezichtsbepalend zal zijn voor het bedrijf. Ook de bestaande schachten op Nulland en Beerenbosch worden verder afgediept. Persluchtlocomotieven vervangen de mijnpaarden, die tot dan toe het ondergronds transport verzorgen. Bovengronds bouwt hij o.m. een nieuwe kolenwasserij, zeverij en briketfabriek, ondergebracht in enorme gebouwen opgetrokken uit gewapend beton. En dat is nog maar een kleine greep uit de vele werken die de mijn in die periode onder zijn leiding realiseert.

Foto van schacht Willem II uit het fotoalbum van Husmann(1930).

Husmann weet dat publiciteit een machtig wapen is in de concurrentiestrijd. Hij nodigt binnen- en buitenlandse journalisten uit om het gloednieuwe bedrijf te komen bezichtigen. Verschillende kranten schenken op hun voorpagina aandacht aan de nieuwe werken op de Domaniale Mijn (lees meer in het artikel Een krantenbericht uit 1927). Voor de wereldtentoonstelling in Luik laat hij een boekwerkje maken waarin de kwaliteiten van het bedrijf uitvoerig uit de doeken worden gedaan.

Al die investeringen werpen hun vruchten af. Tussen de oprichting van de maatschappij in 1925 en het gereedkomen van de nieuwe installaties in 1930 stijgt de jaarproductie van 700.000 ton naar ruim 1.000.000 ton, terwijl het aantal arbeiders rond de 3300 blijft zweven. Het voert te ver om dit alles op het conto van Husmann te schrijven maar zonder zijn inbreng was van de plannen weinig terechtgekomen.

Met pensioen

Op 1 juli 1932 gaat hij op 68-jarige leeftijd met pensioen, kort voordat de malaise van de jaren ’30 in alle hevigheid toeslaat. Tijdens de Algemene Vergadering van aandeelhouders van de Domaniale Mijnmaatschappij wordt hij benoemd tot commissaris van de vennootschap en ontvangt hij uit handen van president-directeur Michiels van Kessenich het Officierskruis in de Orde van Oranje-Nassau. Zijn opvolger is ir. J.F. Fock die dan al enige tijd als mijnbouwkundig ingenieur in dienst is van de Domaniale Mijn.

Husmann geniet in Vaals van zijn oude dag (1934).

Personeel van de Domaniale Mijn moet bij het beëindigen van de dienstbetrekking de bedrijfswoning verlaten. Husmann, die sowieso uit Kerkrade weg wil, gaat op zoek naar andere woonruimte en komt uiteindelijk in Vaals terecht, waar hij in de historische Cereshoeve gaat wonen. Daar geniet hij nog elf jaar van een rustige oude dag. Hij brengt zijn tijd door met kranten lezen, lange wandelingen maken, studeren en af en toe een collegiaal advies. Over eenzaamheid heeft hij niet te klagen, familie en vrienden komen graag bij hem op bezoek. Zijn 75-ste verjaardag wordt groots gevierd. Een grote schare familieleden neemt deel aan het feest en ook de directie en commissarissen van de Domaniale Mijn Maatschappij geven acte de présence op de Cereshoeve.

Op 20 oktober 1943 overlijdt hij op bijna 80-jarige leeftijd in Vaals. Enkele dagen later wordt hij op het kerkhof van de St. Lambertus parochie in Kerkrade onder grote belangstelling bijgezet in het familiegraf, hetzelfde graf waar zijn echtgenote vijftien jaar eerder ter aarde is besteld. De Bergkapel begeleidt hem met onder het spelen van het mijnwerkerslied "Gluck Auf, der Steiger kommt" naar zijn laatste rustplaats.


Glück Auf, Glück Auf! der Steiger kommt.
Und er hat sein klares Licht - bei der Nacht
Schon angezünd´t.

Epiloog

Door het vakmanschap en de grote inzet van Wilhelm Husmann groeide de Domaniale Mijn tijdens zijn 25-jarig directeurschap uit van een primitieve kolenmijn tot een modern mijnbedrijf. Hij was niet alleen een geboren leider, streng en rechtvaardig, maar ook een betrokken, humaan mens die altijd het beste voor had met ‘zijn’ kumpels. Kenmerkend waren zijn woorden "Halb so schlimm" als er op de mijn weer eens een ernstig ongeluk was gebeurd en hij op zijn eerste vraag of er mensen gewond waren te horen kreeg dat het alleen de kolen betrof. Als er geen persoonlijk ongeluk is gebeurd, dan is het niet zo erg!

Helaas had de man de tijd niet altijd mee, vooral niet tijdens de laatste tien jaar van zijn directie toen de economische crisis, stakingen en massa-ontslagen de sfeer in de Mijnstreek bepaalden. Ook persoonlijk leed is hem niet bespaard gebleven: zijn beide echtgenotes overleden vroegtijdig, evenals drie van zijn kinderen, waaronder zijn geliefde dochter Else.

De Kerkraadse gemeenschap, waarvan een groot deel in de mijnindustrie werkzaam was, heeft haar groei en bloei voor een belangrijk deel aan hem te danken. Reden waarom de gemeentelijke straatnamencommissie in 1985 in de wijk Bleijerheide een straat naar hem noemde die zich - hoe kan het anders - dichtbij het vroegere mijnterrein bevindt. Maar het grootste eerbetoon aan deze populaire directeur was toch het aanwijzen van schacht Nulland tot rijksmonument in 1980. Een indrukwekkender gedenkteken kan een mijndirecteur zich niet wensen!

Mijnmonument schacht Nulland (foto © Paul Geilenkirchen, 2003).

Ook na zijn dood bleef de naam Husmann met de Domaniale Mijn verbonden. Van 1949 tot 1960 was dr. Ing. A.J. Husmann (1904-1976) net als zijn vader technisch directeur. Alfred Husmann studeerde aan de Technische Hochschule in Aken, waar hij het ingenieursdiploma Mijnbouwkunde en Mijnmeten behaalde. In december 1931 promoveerde hij tot doctor in de Technische Wetenschappen op het proefschrift "Beitrag zur Theorie der Schachtlotung". Voorafgaand aan zijn benoeming op de Domaniale Mijn was hij als bedrijfsingenieur in algemene dienst verbonden aan Oranje-Nassau mijnen in Heerlen.

Geraadpleegde bronnen:

- Regionaal Historisch Centrum voor Limburg (RHCL) - Plaatsingslijst 17.04.

- De ontwikkeling en de resultaten der Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij (juli 1911).

- Limburger Koerier d.d. 22 december 1928

- Geologie en Mijnbouw, 16 juli 1931, 10e jaargang, nummer 7

- De Zuid-Limburger d.d. 9 juli 1931

- De Nieuwe Koerier Roermond d.d. 17 juli 1931

- Tijdschrift Steenkool, 16 november 1948, 3e jaargang, nummer 21

- Dr. Willy Husmann: Chronik einer deutsch-niederländischen Familie. Meerssen, 1979

- Carboonroute. Uitgave Stichting Mijnmuseum Rolduc (1980)

- Jo Bisschoff - Wöad en Zagenswies op de Hollendsje Koel (1986)

- Jozef Aretz - Kohlscheider Bergwerke. Herzogenrath, 1986

- Hans Jakob Schaetzke - Vor Ort. Eschweiler Bergwerks-Verein, Geschichte und Geschichten eines Bergbauunternehmens im Aachener Revier. Herzogenrath, 1995.

top
 top