Zondag 5 februari 2012

Briketten uit Simpelveld

door Paul Geilenkirchen

Naar een artikel van Michel Dreuw in de Miljoenenlijn-Expresse, bewerkt en aangevuld met eigen archiefonderzoek.

’t Klüttes

Een paar honderd meter ten oosten van station Simpelveld staan de overblijfselen van de vroegere briketfabriek van Simpelveld. Tussen 1903 en 1932 maakte men hier eivormbriketten: samengeperste blokken steenkool bestaande uit een mengsel van fijnkool vermengd met pek. De grondstof betrok de fabriek van de Domaniale Mijn in Kerkrade. De officiële naam luidde N.V. Brikettenfabriek Limburg maar in de volksmond stond de fabriek beter bekend als ’t Klüttes.

’t Klüttes met op de voorgrond de Miljoenenlijn (tekening Jan Halmans)

Van antracietgruis tot eierkolen

De brikettenfabriek werd in 1902 opgericht door de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij (AMSM), de exploitant van de Domaniale Steenkolenmijnen. Een jaar eerder had de Kerkraadse kolenmijn een nieuwe, moderne kolenwasserij/zeverij in gebruik genomen, wat tot een forse toename van de hoeveelheid uitgezeefde gruiskolen had geleid. Dit "restproduct" uit de wasserij vond weinig afzet, maar door het nu te veredelen tot eierkolen ontstond een goedkope, populaire brandstofsoort, die voor de maatschappij nog een aardige bijverdienste opleverde. Eierbriketten ontbrandden snel en gaven direct een groot vuur maar het spul rookte en stonk enorm. Ze waren kwalitatief minder dan antraciet, dus wie thuis eierkolen stookte had het in het algemeen niet breed.

Hoewel de directie van de Domaniale Mijn ook leiding gaf aan de brikettenfabriek, was het bedrijf een aparte vennootschap met eigen aandeelhouders en een eigen raad van commissarissen. Bij de oprichting van de N.V. in 1903 bedroeg het kapitaal f 120.000, waarvan f 61.800 geplaatst en de overige te plaatsen binnen vijf jaar. De eerste aandeelhouders waren A. Schols, Dechêne & Groten, J. Joly, W. Hoven en M.J. Meentz. De raad van toezicht bestond uit jhr. Fr. Michiels van Kessenich uit Roermond, notaris J. Merckelbach uit Maastricht en de brandstofhandelaren Jos. Groten uit Aachen, August. Schols uit Maastricht en Lambert Hoven uit Krauthausen. De dagelijkse leiding was in handen van briketmeester Friedr. Rölle, afkomstig uit het Duitse plaatsje Wengern an der Ruhr. Deze woonde in het nog steeds bestaande dubbele woonhuis bij de ingang van de fabriek aan de Schiffelderstraat in Simpelveld, waar ook zijn kantoor was gevestigd.

Deze foto is rond 1910 genomen op het terrein van ’t Klüttes. De man in het witte pak is de briketmeester.

Na een wat moeizame aanloopperiode nam de brikettenfabricage al snel een hoge vlucht, vooral door de krapte aan kolen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Bedroeg de jaarproductie in 1910 nog slechts 18.140 ton, in 1915 was dit al gestegen tot 45.189 ton. Na de Eerste Wereldoorlog draaide ´t Klüttes op volle toeren om aan de grote vraag naar brandstof te kunnen voldoen. In haar hoogtijdagen produceerde de fabriek 85.000 ton eierkolen per jaar. Tot de grootafnemers behoorden o.a. brandstoffenhandel Bonhomme & Schols in Maastricht, de Scheepvaart- en Steenkolenmaatschappij in Leeuwarden en de firma Déchêne & Groten in Aachen.

Briefhoofd van brandstoffenhandel A. Bonhomme & Schols in Maastricht. August Schols was commissaris en aandeelhouder van de brikettenfabriek (1915).

Waarom in Simpelveld?

Waarom lag de fabriek eigenlijk in Simpelveld, terwijl de Domaniale Mijn 8 kilometer verderop in Kerkrade lag? De meeste arbeiders woonden in de beginjaren van de mijnen dichtbij hun werk. De wegen waren nauwelijks verhard en men moest de afstand van Simpelveld naar Spekholzerheide of Kerkrade te voet afleggen. Bovendien was mijnarbeid niet zo populair bij de bevolking die overwegend uit boeren bestond. Omdat de steenkolen per spoor via de kolenbaan naar Simpelveld werden getransporteerd, lag het voor de hand hier een fabriek te bouwen. Zo wilde men mijnarbeid voor de Simpelveldse bevolking aantrekkelijker maken.

De briketfabriek had op het emplacement Simpelveld een opstelspoor voor de verlading van haar producten. Dagelijks verlieten tientallen wagonladingen met briketten de poort. Al die treinen moesten over de overweg aan de Schiffelderstraat, die berucht was om het vele oponthoud en de (bijna) ongelukken. Mopperende boeren stootten hun karren kapot tegen de rails omdat dwarsliggers ontbraken, de overweg was soms een half uur zo maar gesloten en ’s nachts stonden er soms onverlichte kolenwagens midden op de overweg geparkeerd. Het was zo erg dat burgemeester Houbiers van Bocholtz in 1921 een boze brief naar de directie stuurde om zijn beklag te doen over de gevaarlijke situatie. Bij de aanleg van de Miljoenenlijn kwam er een viaduct over de Schiffelderstraat waardoor de situatie ter plaatse wat verbeterde.

De briketfabriek in 1934 met links het huis van de briketmeester en op de voorgrond het viaduct van de Miljoenenlijn (archief ZLSM)

Sporenplan van de briketfabriek (1930).

Levende mummies

De fabriek had een vijftiental arbeiders in dienst, afkomstig uit o.a. Simpelveld, Baneheide, Bocholtz of Wittem. Vaak waren het jongens van rond de twaalf jaar die werkten onder leiding van oudere werknemers. Voor het werk op de mijn waren ze nog te jong, dus kwamen ze hier terecht. Ze moesten de steenkool met een hamer stukslaan, waarna de fijnkool bij hoge temperatuur met pek werd vermengd. Dat gebeurde in een braimolen: een mengmolen, aangedreven door twee stoommachines met een vermogen van respectievelijk 360 en 500 pk, die in 1906 in gebruik was genomen. Was alles tot één grote brij gevormd, dan ging de massa door een eivormbrikettenpers die er onder hoge druk eierkolen van 45 of 60 gram van maakte, de zogenaamde Columbusjes.

Advertentie voor eierkolen uit 1931.

Het werk was zwaar en ongezond. Het personeel moest zich regelmatig in de verbandkamer melden voor onderzoek naar stoflongen en huidkanker. Medische verzorging stelde in die tijd niet veel voor, voor de opgelopen huidzweren kregen ze van de dokter een zalfje. Van huidkanker maakten de artsen geen melding, het zou de productie alleen maar schaden dacht de mijndirectie.

De mensen van ´t Klüttes smeerden zich elke dag voor aanvang van het werk in met klei, die zich in een grote ton bevond. De klei werd door de mijndirectie ter beschikking gesteld. Als deze smurrie hard geworden was, zagen de arme drommels er uit als levende mummies. De overlast van rook en stank namen ze voor lief, om nog maar te zwijgen van de inademing van zwavelhoudende en giftige pekdampen. Veel keuze hadden ze niet, de meeste gezinnen waren straatarm en er moest hoe dan ook brood op de plank komen. In 1914 verdiende een arbeider op de briketfabriek afhankelijk van leeftijd en ervaring tussen de 8 en 15 gulden per week, bepaald geen vetpot dus.

Eierkolen in de kolenkit (foto © Paul Geilenkirchen, 2010).

Eierkolen in de smederij (foto © Paul Geilenkirchen, 2010).

Sjlam en klüttedrek

Eind augustus 1921 lag de productie enige tijd stil wegens...   gebrek aan steenkolen! Op de Domaniale Mijn was een staking uitgebroken en de stakingsleiding had aan de steenkolenmijn Willem Sophia verzocht om geen steenkool te leveren. Die zette dus ook de aanvoer van fijnkolen stop, zodat de werklui in Simpelveld konden gaan "feieren". Er was echter sprake van een misverstand, want de brikettenfabriek Limburg was een aparte vennootschap die niets te maken had met de Domaniale Mijn. Wel was directeur Hulsman van de Domaniale Mijn ook directeur van de brikettenfabriek. Een week later was de zaak opgehelderd en konden de arbeiders van ’t Klüttes weer ongehinderd aan het werk.

In 1923 kwam er bij de fabriek een slikvijver voor de productie van zg. sjlam. Dat was een restproduct van het scheidingsproces van steenkool en mijnsteen in de natte kolenwasserij. De smurrie van kolengruis en water werd in grote bassins opgevangen en nadat het water was verdampt bleef een grote hoop zwarte blubber over. Sjlam was de huisbrandstof voor de armen, kolenboeren haalden het met hun karren bij de mijn af en verkochten het bij de mensen aan de deur. Als de slik was opgebrand bleef er een grote hoop klüttedrek over. Dat deponeerde men vaak in de tuin om de grond los te maken, net als de sintels van steenkool (krai) die werden gebruikt om het tuinpad te verharden.

Reçu van briketmeester Rölle voor de ontvangst van zijn jaarlijkse tantième over het jaar 1916/1917.

In de nacht van 16 maart 1928 brak in de fabriek brand uit. Door de grote voorraad pek in het gebouw greep de brand zo snel om zich heen, dat het hele complex binnen de kortste keren tot de grond toe afbrandde. Twaalf arbeiders raakten ten gevolge van de brand werkloos. Enkele maanden later was de fabriek helemaal herbouwd en kon ze weer in bedrijf worden genomen. “Deze nieuwe fabriek voldoet aan de meest moderne eisen. In ruime kamers, waar het daglicht slechts spaarzaam wordt buitengesloten, zijn kolossale machines geplaatst om de briketten te vervaardigen. De fabriek is tevens een goede werkgelegenheid voor de arbeiders in deze regio”, aldus een verslag in de Volkskrant.

De crisisjaren

Rond 1931 kwam de klad in de mijnindustrie. Door de wereldwijde economische crisis daalde de vraag naar steenkool sterk en bovendien had de Simpelveldse fabriek te lijden van de concurrentie van de nieuwe brikettenfabriek op het terrein van de Domaniale Mijn in Kerkrade, die in 1929 in gebruik was genomen. De afzet stagneerde, terwijl de onverkoopbare voorraden zich ophoopten. Personeel werd ontslagen en moest gaan stempelen. De werkloze kreeg een stempelkaart, die hij op ongeregelde tijden op het gemeentehuis moest laten afstempelen om te voorkomen dat hij zijn magere uitkering aanvulde door het verrichten van losse karweitjes.

Affiche voor de openbare verkoping van de briketfabriek in 1932.

In maart 1933 werd de in Utrecht gevestigde vennootschap failliet verklaard, nadat eerder op een openbare veiling in Maastricht vergeefs was geprobeerd om de fabriek in haar geheel te verkopen. ’t Klüttes lag er sindsdien stil en verlaten bij. De hallen en werkplaatsen werden ontmanteld en wat overbleef was een bouwvallig gebouw waar de natuur alles overwoekerde. Deze situatie was jarenlang een doorn in het oog van de plaatselijke overheid.

Van bouwval tot Rijksmonument

In 1948 kocht de heer Karel Vogt sr. het bouwvallige pand op om er een constructiebedrijf te beginnen. Naderhand zou het bedrijf meer bekendheid krijgen door het vervaardigen van aluminium- en kunststoframen. Enkele jaren later sloot de heer Karel Vogt jr. het bedrijf. De meeste gebouwen werden afgebroken en op de plek kwam een grote stallingloods te staan, die tegenwoordig nog steeds als zodanig in gebruik is.

De restanten van ’t Klüttes anno 2007 (foto © Paul Geilenkirchen, 2007)

Het woonhuis van de werkmeester aan de Schiffelderstraat (foto © Paul Geilenkirchen, 2007).

Enkele gedeelten van de gebouwen uit het verre verleden van de N.V. Brikettenfabriek Limburg van Simpelveld bestaan nog steeds. Vanwege haar cultuurhistorische waarde en als herinnering aan de mijngeschiedenis is de koeltoren van ’t Klüttes in december 2000 tot rijksmonument aangewezen. De vierkante koeltoren dateert uit 1922 en werd ontworpen door architect N. Sterk. Kijk op de website van de KennisInfrastructuur CultuurHistorie voor meer informatie.

NB: De koeltoren van de brikettenfabriek ligt op privé terrein en is voor het publiek niet toegankelijk.

Geraadpleegde bronnen:

- De Miljoenenlijn-Expresse (artikel van Michel Dreuw).

- Verslag van de (Hoofd)Ingenieur der Mijnen over het jaar 1902.

- Kirchröadsjer Dieksiejoneer - Uitgebreide woordenlijst Nederlands - Kerkraads.

- Jaarverslag N.V. Domaniale Mijn Maatschappij over het jaar 1933.

- Regionaal Historisch Centrum Limburg, archief AMSM.

- Henk van Zon - De mijnen en het milieu 1910-1965.

top
 top