Zondag 5 februari 2012

De grote mijnwerkersstaking van 1921

door Paul Geilenkirchen

In 1921 besloot de directie van de Domaniale Mijn om de mijnwerkerslonen in één klap met 35% te verlagen. Het bedrijf was kort daarvoor overgenomen door W. van der Vorm van de Scheepvaart- en Steenkolen Maatschappij in Rotterdam. Boze tongen beweren dat de nieuwe eigenaar de regering zo onder druk wilde zetten om de ongunstige pachtovereenkomst uit 1880 aan te passen. Hoe het ook zij, de langstdurende staking in de geschiedenis van de Limburgse mijnbouw was het gevolg.

Loonsverlaging op de Domaniale Mijn

Na de Eerste Wereldoorlog floreerde de mijnindustrie in Limburg als nooit tevoren. De markt schreeuwde om steenkool, de prijzen stegen naar recordhoogte en de mijnwerkerslonen stegen net zo hard mee. In 1920 kwam er onverwacht een einde aan de hausse. Een groeiend aanbod van buitenlandse steenkool op de Nederlandse kolenmarkt deed de prijzen met 35 tot 50% dalen. De slechte bedrijfsresultaten dwongen de mijndirecties harde maatregelen te treffen.

Een golf van ontslagen volgde, toeslagen werden ingetrokken en dagen met verplicht onbetaald verlof - zgn. ‘Feierschichten’ - deden hun intrede. Toen bleek dat deze ingrepen onvoldoende effect hadden, besloten de gezamenlijke mijndirecties op 22 maart 1921 om de lonen van de mijnwerkers stapsgewijs met ca. 20% te verlagen.

Onder druk van regering en vakbonden stelden de werkgevers de loonsverlaging een maand later uit. Daarbij speelde mee dat in Engeland een mijnwerkersstaking was uitgebroken, waardoor de situatie op de Nederlandse afzetmarkt wat was verbeterd. Alleen de directie van de Domaniale Mijn wilde van geen uitstel weten. Zij stapte uit de Mijnvereniging (het overleg met de andere particuliere mijndirecties) en besloot op eigen houtje om de lonen met ingang van 1 augustus 1921 met maar liefst 35% te verlagen.

De Domaniale was bijna een staatsmijn

Om deze onbuigzame houding te kunnen begrijpen moeten we een stukje terug in de geschiedenis. De Domaniale Mijn was al vanaf de Franse tijd eigendom van de Staat, die de exploitatie had verpacht aan de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij (AMSM). Volgens de pachtovereenkomst uit 1880 moest de exploitant een vaste afdracht van 35% van de opbrengst aan de Staat betalen. Zolang het kolenbedrijf winst maakte was dat geen probleem, maar in slechtere tijden hing dit wurgcontract als een molensteen om de nek van de maatschappij.

De spoorwegmaatschappij en de regering onderhandelden al jarenlang over een herziening van de voorwaarden maar de besprekingen over een nieuwe regeling liepen telkens vast. In 1913 stemde de leiding van de onderneming uiteindelijk in met het voorstel van de minister van Financiën om de Domaniale Mijn onder voorbehoud van wettelijke regeling voor 2½ miljoen gulden af te staan aan de AMSM. Nog geen twee jaar later trok minister mr. M.W.F. Treub het voorstel weer in. In 1919 kwamen de partijen tenslotte overeen dat de AMSM de rechten op de Domaniale Mijn Maatschappij inclusief de mijnspoorweg Kerkrade-Simpelveld voor een bedrag van 3 miljoen gulden zou overdragen aan de Staat. De Domaniale Mijn zou daarmee de vijfde Nederlandse staatsmijn worden.

Het ministerie Cort van der Linden 1913 - 1918 naar een schilderij van Pieter van der Hem. Linksvooraan zit minister van Financiën Mr. M.W.F. Treub
(Haagsche Post, december 1923).

De voorgenomen nationalisatie ging onverwacht niet door. In de loop van de onderhandelingen was namelijk een meerderheid van de aandelen opgekocht door het consortium Van der Vorm-Knottenbelt, eigenaar van de N.V. Scheepvaart- en Steenkolen Maatschappij. Deze maatschappij was op 27 maart 1896 in Rotterdam opgericht door de American Petroleum Company voor de import en het vervoer van Britse kolen. Van der Vorm zag in de overname van de (toen nog) winstgevende Domaniale Steenkolenmijnen een kans om minder afhankelijk te worden van de onzekere aanvoer van Engelse steenkool en meer invloed te krijgen op de Nederlandse kolenmarkt.

Nieuwe bezems vegen schoon

Op 12 november 1919 vond in Arnhem een algemene aandeelhoudersvergadering plaats, waar het voorstel tot verkoop aan de Staat met grote meerderheid van stemmen werd verworpen. Dezelfde meerderheid was bereid om mee te werken aan de verhoging van de productie door de aanleg van een nieuwe schacht (Willem II) mits de minister van Financiën zou instemmen met een redelijker verdeling van de winst. De nieuwe directie onder leiding van jhr. mr. F. Michiels van Kessenich begon meteen nieuwe onderhandelingen met de Staat, maar omdat de minister niet verder wilde gaan dan enkele marginale verbeteringen liepen deze binnen de kortste keren weer vast.

Vier hoofdrolspelers: vlnr directeur Husmann, voorzitter Raad van Bestuur Van der Vorm, juridisch adviseur Knottenbelt en hoofdopzichter Nievelstein

Van der Vorm c.s. lieten het er niet bij zitten en besloten een zwaarder wapen in te zetten: loonsverlagingen. Boze tongen in de pers beweerden dat het consortium de strijd over de rug van de arbeiders wilde voeren om de regering alsnog tot concessies te dwingen. Uiteraard hadden de commissarissen en de directie daar een andere mening over, zij legden de schuld neer bij de regering. Hoe het ook zij, het mijnpersoneel dreigde de dupe te worden van de machtsstrijd tussen de Rotterdamse onderneming en de regering.

Oproep voor de openluchtmeeting op 23 juli 1921

De Eemlander 26 juli 1921

De Eemlander 15 augustus 1921

De mijnwerkers gaan in staking

Op 31 juli 1921 besloten de arbeiders van de Domaniale Mijn eensgezind het werk neer te leggen. Op 1 augustus was de mijnwerkersstaking een feit. Van de ochtendploeg, normaal zo’n duizend man sterk, gingen slechts enkele mannen aan het werk. Vrijwel alle mijnwerkers deden mee, zelfs de ca. 500 Duitse arbeiders verklaarden zich solidair. Alleen beambten, mijnscholieren en pompmachinisten mochten van het stakingscomité doorwerken.

De vakbonden was er veel aan gelegen om de actie tot een succes te maken. Immers, als de staking werd gebroken zou de loonsverlaging per 1 september op alle mijnen worden doorgevoerd. De rooms-katholieke en socialistische vakbonden werkten daarom nauw samen. Dit ondanks het verbod dat de bisschop, op voorspraak van hoofdaalmoezenier dr. Poels, had uitgevaardigd. Helaas had het mijnbestuur een belangrijke troef in handen: het wapen van 3000 hongerlijdende mijnwerkers. De vakbondsleden konden putten uit de stakingskas maar de ca. 1500 ongeorganiseerden moesten ook leven. Wanneer zij geen uitkering van steungeld kregen was de kans groot dat zij uit armoe gedwongen waren weer aan het werk te gaan.

Kerkrade is solidair

De solidariteit in Kerkrade was groot, iedereen was op de hand van de stakers. In dit dorp, waar het mijnwerkersberoep traditiegetrouw van vader op zoon werd overgedragen, was bijna iedereen direct of indirect betrokken bij de mijnbouw. Een stroom van giften en bijdragen volgde op de eerste oproep van de organisaties. Caféhouders verlaagden uit sympathie met de stakers de prijs van het bier van 12 naar 10 cent, de voetbalverenigingen besloten wedstrijden te organiseren ten bate van de stakers en bij de plaatselijke kappers konden de stakers zich laten scheren voor 5 cent. De coöperatie "Ons Dagelijksch Brood" steunde de stakende mijnwerkers met giften en vrij brood ter waarde van 5000 gulden. De bevolking was zich bewust van haar verantwoordelijkheid en gedroeg zich kalm en voorbeeldig. De versterkte marechausse-brigade had dan ook een gemakkelijke taak bij de bewaking van het mijncomplex. Maar iedereen besefte dat het niet lang kon duren tot de stakingskas leeg zou raken en de weerstand van de mijnwerkers zou zijn gebroken.

Na weken van vruchteloos onderhandelen ontving het stakingscomité half september een regeringstelegram met de mededeling dat het bestuur van de Domaniale Mijn bereid was om vanaf 1 oktober dezelfde lonen te betalen als de Staatsmijnen. In concreto betekende dit een loonsverlaging van ca. 6%. De Christelijke Mijnwerkersbond stemde in met het voorstel en de andere bonden volgden schoorvoetend.

De Eemlander 15 september 1921

Op 19 september 1921 gingen de stakers weer aan het werk. De staking had bijna zeven weken geduurd en was daarmee de langstdurende staking in de historie van de Limburgse mijnbouw. Achteraf bleek overigens dat de vakbonden en mijnwerkers een kat in de zak hadden gekocht, want door een slimmigheidje in de overeenkomst konden de werkgevers de lonen met veel meer dan 6% verlagen zonder een officiële loonsverlaging aan te kondigen.

Oprichting van de Domaniale Mijn Maatschappij

De kennismaking met de macht van het kapitaal liet in de dorpsgemeenschap diepe sporen na. De naam Van der Vorm zou bij de Kerkraadse mijnwerkers nog vele jaren heftige emoties oproepen. Terecht of onterecht? Willem van der Vorm was volgens zijn biografie "een slimme zakenman die rechtlijnig en bepaald niet zachtzinnig zijn tegenstander tegemoet kon treden". Maar laten we niet vergeten dat nog twee andere partijen bij het conflict betrokken waren voor wie grote belangen op het spel stonden. Aan de ene kant de Staat der Nederlanden die de Domaniale steenkolenmijnen meer dan 75 jaar als melkkoe had gebruikt. Aan de andere kant de mijnwerkersbonden die in de staking dé kans zagen om hun kwijnende ledenaantal weer wat op te vijzelen. De mijnarbeider was niet meer geweest dan een speelbal in het krachtenveld tussen ondernemer, politiek en vakbonden.

Speelbal in een machtsstrijd

In 1924 bereikten de partijen uiteindelijk een akkoord over de pachtovereenkomst, waarna op 30 juni 1925 te Rotterdam de oprichting plaatsvond van de nieuwe maatschappij. De AMSM, die al vanaf 1867 geen spoorlijn meer exploiteerde, kreeg de meer toepasselijke naam N.V. Domaniale Mijn Maatschappij Kerkrade. De Scheepvaart- en Steenkolen Maatschappij (in 1928 overgenomen door de Steenkolen Handels Vereeniging) kreeg met de nieuwe overeenkomst het recht van exploitatie van de mijn tot 31 december 1952, welk recht in 1954 met dertig jaar werd verlengd. Dit laatste was overigens tegen de wil van een linkse minderheid in de Kamer die de voorkeur gaf aan nationalisatie van het bedrijf.

‘et Tsentsekülsje’

Terugblikkend op het jaar 1921 had het maar een haartje gescheeld of de Domaniale Mijn was de vijfde Nederlandse staatsmijn geworden. Misschien waren de mijnwerkers dan wel beter af geweest dan nu. Een vetpot zou het in Kerkrade nooit worden, de Hollendsje Koel bleef ook later berucht om haar lage lonen en zuinigheid. De bijnaam in het Kerkraads dialect ‘et Tsentsekülsje’ (het centenmijntje) spreekt voor zich.


(Noot: De naam Tsentsekülsje stamt af van het oude gebruik om met Kerstmis bij de poort van de mijn centen te strooien voor de kinderen van mijnwerkers. Lees het verhaal "Ing Krisboombescheerong op de Hollentsche Koel" van J. Reinard in de bundel Kirchröatsjer Maiblómme.)

Geraadpleegde bronnen:

- Regionaal Historisch Centrum voor Limburg (RHCL) - Plaatsingslijst 17.04.

- Jaarverslag van de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij over het jaar 1920.

- Michiels van Kessenich, F., van der Vorm ,W. e.a. - Mededeelingen van commissarissen en directie der Aken-Maastrichtsche Spoorweg Maatschappij omtrent de Domaniale Steenkolenmijnen. Kerkrade, 1921.

- Dieteren, Remigius - Mens en mijn. Een halve eeuw strijd, groei en bloei van de Nederlandse Katholieke Mijnwerkersbond. Heerlen, 1953.

- Kreukels, Louk - Mijnarbeid: Volgzaamheid en strijdbaarheid. Geschiedenis van de arbeidsverhoudingen in de Nederlandse steenkolenmijnen, 1900-1940. Assen / Maastricht, 1986.

- Hubben, Antoon - Oostelijke Mijnstreek. Veel verloren ... niet vergeten - Kerkrade, 1991.

- Stegro reeks nr 4 - S.S.M. : N.V. Scheepvaart- en Steenkolen Maatschappij, 1896-1969. Papendrecht, 2004.

- Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Biografie Willem van der Vorm.

top
 top