Zondag 5 februari 2012

Waar woonden onze mijnwerkers?

door Paul Geilenkirchen

Net als de andere Limburgse steenkolenmijnen bezat de Domaniale Mijn woningen voor het eigen personeel. Lieten de Staatsmijnen, de Laura & Vereeniging en de Oranje Nassaumijnen complete kolonieën (met de klemtoon op ‘ie’) uit de grond stampen, het woningbestand van de Domaniale beperkte zich tot een honderdtal huizen. De meeste daarvan werden tussen 1880 en 1920 gebouwd door de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij (AMSM), de exploitant van de mijn.

Wonen en werken in de mijnstreek

Waarom bouwden de mijnbedrijven eigenlijk woningen voor het personeel? Op de eerste plaats omdat er begin vorige eeuw in het agrarische Limburg te weinig arbeidskrachten waren voor het werk in de mijnen. Door de grote toevloed van arbeiders van buiten ontstond in de mijnstreek een acuut huisvestingsprobleem. Woningnood en kostgangerswezen leidden tot sociale wantoestanden en ontwrichting van het gezinsleven of - zoals dat vroeger zo mooi heette - "zedeloze verwildering". De mijnondernemingen probeerden het tekort aan woonruimte op te lossen door op grote schaal gezellenhuizen, arbeiders- en beambtenwoningen te bouwen, vooral in de periode tussen 1900 en 1930.

Honderdtwintig jaar oude mijnwerkerswoningen aan de Holzstraat in Kerkrade (foto © Paul Geilenkirchen, 2007)

Een andere reden voor het bouwen van huizen was het ontbreken van goede vervoersmogelijkheden. Lange vermoeiende reizen per trein of fiets vonden de mijndirecties niet gewenst, dan waren de mijnwerkers al moe voordat ze aan hun zware werk moesten beginnen. Het personeel moest liefst op loopafstand van de mijn wonen. Bovendien was een mooi huisje met een grote moestuin vlakbij de mijn een effectief middel om de kompels voor langere tijd aan het bedrijf te binden. Iets wat gezien de grote mobiliteit van de bevolking in de jaren ’20 van de vorige eeuw geen overbodige luxe was.

Na de bouw van de mijnhuizen aan de Holzstraat schreef de directie van de AMSM in het jaarverslag over 1889: "In dieser Weise haben wir uns ein tüchtiges und braves Arbeiterpersonal gesichert, welches die Ihm gewidmete Fürsorge mit Dank anerkennt und diesem Dank durch unausgesetzt treue Pflichterfüllung Ausdruck zu verleihen bestrebt ist.". Dat de bouw was gefinancieerd uit het eigen ondersteuningsfonds van de arbeiders schreef men er wijselijk niet bij.

Beambten waren volgens hun arbeidsovereenkomst verplicht om zich in de mijngemeente te vestigen, bij voorkeur in de buurt van de mijn. Voor het hoger personeel was een riante woning vlakbij de mijnpoort het ultieme statussymbool. "Kijk eens hoe belangrijk ik ben" schreeuwden de pompeuze villa’s van de hoge heren zowat van de daken.

In het Gezellenhuis aan de Laurastraat in Eygelshoven woonden ongehuwde arbeiders. Het gebouw dateerde uit 1919

Woningvereniging "Ons Limburg"

Niet alleen de mijnondernemingen, ook de woningbouwverenigingen speelden een belangrijke rol bij het lenigen van de woningnood. Op grond van de Woningwet 1901 konden zij voor de bouw van goede en goedkope woningen aanspraak maken op financiële steun van de overheid. In Kerkrade waren met name de corporaties Spekholzerheide, St. Pietersrade en Bleijerheide actief, alle drie aangesloten bij de centrale van woonverenigingen "Ons Limburg". Toen na 1921 de rijksvoorschotten verminderden werd op initiatief van hoofdaalmoezenier dr. Poels de stichting "Thuis Best" opgericht, die de bouw van woningen met eigen middelen en leningen van derden financierde.

De activiteiten van de mijnondernemingen en de woningcorporaties samen leidden in de eerste decennia van de twintigste eeuw tot een ware bouwexplosie. In dertig jaar tijd kwamen in de mijngemeenten bijna 14.000 arbeiderswoningen en ruim 1.000 beambtenwoningen van de grond.

Deze woningen aan de Lindenlaan in Chèvremont zijn begin jaren ’20 door "Ons Limburg" gebouwd voor de woningvereniging "St. Pietersrade" (foto J. Breuer, 1979).

Van mijnwerkerskolonie tot directeursvilla

Hiërarchie speelde een belangrijke rol in de mijnstreek: hoe hoger de plek op de sociale ladder, des te hoger en statiger het huis. Aan de buitenkant kon je in één oogopslag zien of er een directeur, mijningenieur, hoofdopzichter, opzichter, beambte of mijnwerker woonde. Arbeiderswoningen waren eenvoudige rijtjeshuizen zonder enige vorm van comfort, directeursvilla’s leken soms ware kastelen. Aanvankelijk was de hiërarchie ook terug te vinden in de ligging: hoe hoger de functie, des te dichter bij het mijnterrein het huis stond. In de beginjaren stond de directeurswoning vaak naast of tegenover de hoofdpoort.

Een ingenieurswoning van de Staatsmijnen (1917)

De eigenbouw-regeling

De mijnen verhuurden niet alleen huizen, ze gaven ook financiële steun bij de bouw van eigen woningen, vooral in de periode van grote woningnood na de Tweede Wereldoorlog. Die steun was het gevolg van de Nota inzake de Industrialisatie van minister van Economische Zaken dr. J. van den Brink. Hij wilde de kolenproductie opvoeren, waarvoor meer personeel nodig was en dus meer woningen beschikbaar moesten komen. Het stimuleringsplan verplichtte iedere mijnonderneming een stichting op te richten die zich moest bezighouden met de bevordering van het woningbezit.

Zo werd op 29 april 1952 in Kerkrade de Stichting ter bevordering van de huisvesting van personeel der Dom. Mijn Mij. N.V. Kerkrade opgericht. De stichting verstrekte niet alleen bouwvoorschotten aan individuele personeelsleden, ook gemeenten en woningbouwverenigingen konden met de zogenaamde stortingen à fonds perdu van het fonds profiteren. Met dat geld werden huurwoningen gebouwd met voorkeursrecht voor personeel van de Domaniale Mijn. Zo werden bijvoorbeeld medio jaren zestig 42 woningen in het Spekholzerheiderveld, 8 woningen in het Mücherveld, 18 woningen aan de Holzstraat, 50 woningen in het Nullanderveld en 50 woningen in het Rolduckerveld gerealiseerd. Met het oog op de naderende mijnsluiting werd de stichting in 1967 geliquideerd.

Woningen aan het Mücherveld (2009)

De personeelswoningen van de Domaniale Mijn

Vergeleken met de andere mijnen was het eigen woningbezit van de Domaniale Mijn bescheiden. Opvallend is dat veel huizen bestemd waren voor het hoger personeel. Misschien kwam dat wel omdat de meeste arbeiders uit de naaste omgeving kwamen. Zij stamden uit mijnwerkersfamilies die al generaties lang op de Hollendsje Koel hun brood verdienden. De directie had er geen belang bij om hen met een huurwoning aan het bedrijf te binden, zij woonden immers vaak al op loopafstand van de mijn. Dat in tegenstelling tot de meesters, opzichters en hoofdopzichters waarvan het gros uit Duitsland afkomstig was (de Domaniale had vrijwel geen buitenlandse arbeiders in dienst).

Baanwachterswoning van de AMSM aan de Grachterstraat in Spekholzerheide
(foto © Paul Geilenkirchen, 2007).

De mijn had woningen voor de directie, mijningenieurs, beambten, opzichters en arbeiders. Verder bezat de maatschappij een aantal dienstwoningen zoals portiers- en baanwachterswoningen, niet alleen in Kerkrade maar ook in Simpelveld, Spekholzerheide en De Locht. Men verpachtte zelfs enkele boerenhoeven, onder meer aan de Kaffebergsweg, de Berenbosweg en de Baamstraat (‘Hamhoeve’).

Het eigen bouwbureau verzorgde het beheer en onderhoud. De huursom werd op het salaris ingehouden. Huurbescherming bestond destijds nog niet en wie werd ontslagen of met pensioen ging moest de woning terstond verlaten. De bewoner was verplicht om de verhuurder - lees: de mijnpolitie - te allen tijde vrije toegang te verlenen, artikel 13 van het huurcontract liet wat dat betreft weinig ruimte open voor bezwaren.

 

Voor- en achterzijde van een woning met mijnschade aan de Vroenstraat 36 in Bleijerheide, voorheen H. Rüland (1920).


Complete mijnwerkerskolonieën heeft de Domaniale nooit gekend. Wat men onder "Colonie" verstond waren feitelijk verspreid liggende groepjes huizen in buurt van de hoofdpoort aan de Nieuwstraat, in grootte variërend van twee tot ca. dertig woningen. Daarnaast bezat de mijn een vijftigtal afzonderlijke woningen, bestemd voor arbeiders en beambten. Uiteraard wijzigde het woningbestand in de loop der jaren voortdurend. Oudere huizen werden gesloopt, nieuwe gebouwd, andere aangekocht wegens mijnschade. Dat laatste gebeurde onder andere met een rij zwaar beschadigde huizen aan de Vroenstraat en de Chèvremontstraat.

Het erfgoed

De meeste Kerkraadse mijnhuizen van de Domaniale zijn in de loop der jaren gesloopt. Slechts een paar woningen - zoals de vroegere Colonie III en een paar beambtenwoningen aan de Holzstraat en Hoofdstraat - zijn van de sloop gered en bevinden zich aan de buitenzijde nog in min of meer oorspronkelijke toestand. Toch nog een klein stukje mijnverleden in Kerkrade!!

Klik hier voor een overzicht van de mijnwoningen van de Domaniale Mijn.


Deuromlijsting in een gevel aan de Nieuwstraat. Let op de zgn. muizentandlijst in de ontlastingsboog boven de deur (foto © Paul Geilenkirchen, 2008).


Geraadpleegde bronnen:

- Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) - Plaatsingslijst 17.04.

- Centraal Archief DSM.

- Gemeentearchief Kerkrade.

- Ir. C.A. Goudoever de Jongh - Neerlands Welvaart aflevering 36-37 - De Staatsmijnen, 1918.

- Remigius Dieteren O.F.M. - Veertig jaren arbeiderswoningen in Limburg "Ons Limburg" 1911-1951.

- Tijdschrift Steenkool, jaargang 1955.

- C. Hofstee C., R. de Jong e.a. - Inventarisatie mijnmonumenten, 1978.

top
 top