Vrijdag 18 mei 2012
Tien jaar luchtbescherming op de Domaniaal 1934-1944Tussen 1934 en 1944 was op de Domaniale Mijn in Kerkrade de luchtbeschermingsdienst (L.B.D.) actief. Zodra de stoomfluit het signaal voor luchtalarm blies, kwamen de mannen met de gasmaskers en de verbandtassen in actie. Een terugblik op tien bewogen jaren. Met verbandtassen en oude legergasmaskersDe wortels van de luchtbeschermingsdienst liggen begin jaren ’30, als Hitler en zijn NSDAP zich in Duitsland beginnen te roeren. De politieke ontwikkelingen en de onrust aan de oostgrens baren de Nederlandse regering grote zorgen. De gruwelen van de Eerste Wereldoorlog liggen nog vers in het geheugen. Die oorlog heeft geleerd dat de strijd zich niet langer alleen op de slagvelden afspeelt maar ook de burgerbevolking kan treffen, vooral door luchtaanvallen met gifgassen zoals fosgeen en mosterdgas. Met deze ervaringen in het achterhoofd heeft het Departement van Defensie in 1931 de “Leidraad Luchtbeschermingsdienst“ uitgegeven, een handleiding voor burgemeesters bij de organisatie van een luchtbeschermingsdienst (LBD) in hun gemeente.
Lichting 1909 in de legerplaats Harskamp. Staand 2e van links het latere hoofd luchtbescherming Jan Bouwman (foto © P. Geilenkirchen) Ook de directie van de Domaniale Mijn krijgt in juni 1933 een brief van de Chef Generale Staf uit Den Haag met daarin adviezen over de organisatie van de luchtbescherming en de verduistering van mijncomplexen. Hoewel de richtlijnen niet dwingend zijn, besluit de mijndirectie toch aan de oproep gehoor te geven. Directeur J.F. Fock wijst twee mijnbeambten aan, die de luchtbeschermingsdienst moeten opzetten. Vanwege zijn kennis van chemische stoffen komt de leiding in handen van ingenieur Klaas Frederik Tromp. Bovengronds personeel wordt opgeroepen om zich als vrijwilliger te melden maar het animo is niet erg groot. Met veel moeite lukt het om één ploeg te bemannen. De reddingswerkers krijgen een primitieve uitrusting mee: houten brancards, emmers met zand, oude legergasmaskers, verbandtassen en blauw papier voor verduistering.
Medio 1940 telde de luchtbeschermingsdienst 33 vrijwilligers (foto © P. Geilenkirchen) ‘Een brisantbom op de slikverlading’Op zaterdag 13 oktober 1934 vindt in Zuid-Limburg voor het eerst een grote oefening plaats, waaraan ook de luchtbeschermingsploegen van de Domaniale Mijn en de gemeente Kerkrade meedoen. Volgens het oefenscenario is er een brisantbom op de slikverlading gevallen, waardoor een arbeider is bedolven. Lees mee in het draaiboek:
Advertentie uit 1937 LuchtbeschermingstentoonstellingenRuim een jaar later komt een einde aan het vrijblijvende karakter van de luchtbescherming. Op 23 april 1936 treedt de “Wet op de Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen” in werking, die gemeenten verplicht een luchtbeschermingsdienst op te richten en die ook de aanwijzing en inrichting van schuilkelders regelt. Net als de gemeenten zijn ook grote bedrijven wettelijk verplicht om maatregelen tegen luchtaanvallen te nemen. In september 1936 komt op initiatief van de Inspecteur voor de Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen een werkcommissie bijeen, die richtlijnen moet ontwerpen voor de luchtbescherming in de mijnindustrie. De Limburgse mijnen worden vertegenwoordigd door Ir. J. C. Flohil van de Oranje-Nassaumijnen in Heerlen en Ir. L.H. Sauter van de Cokesfabriek Emma. De wet betekent het begin van een omvangrijke voorlichtingscampagne voor het publiek. In maart 1936 vinden in Treebeek, Geleen en Heerlen grote luchtbeschermingstentoonstellingen plaats, met demonstraties van materieel en voorlichting over preventie tegen luchtaanvallen. Op de tentoonstelling is onder meer een model van een bomvrije en gasvrije kelder te zien. Ook in het zusterklooster aan de Hoofdstraat in Kerkrade wordt een tentoonstelling ingericht. Oprichting van de LBDMIn juni 1938 wordt op de Domaniale de “Luchtbeschermingsdienst der Domaniale Mijn” (LBDM) opgericht met als taak "in tijden van oorlogsgevaar het mijnbedrijf en het personeel zoveel mogelijk tegen de gevolgen van luchtaanvallen te beschermen".
Hoofd luchtbescherming J. Th. Bouwman (r) De luchtbescherming - op de mijn ook wel gasbrigade genoemd - omvat twee ploegen, elk bestaande uit een gasverkenningsdienst, gasontsmettingsdienst, opruimingsdienst, medische dienst en een politiedienst. Ir. Tromp heeft intussen na een aanvaring met de directie ontslag genomen en is als Hoofd LBD opgevolgd door chef Electrisch Bedrijf J. Th. Bouwman, een vertrouweling van directeur J.F. Fock. Zijn plaatsvervanger is beambte Th. Thissen. Naast deze twee personen bestaat de organisatie uit eenendertig man, waaronder vijftien EHBO’ers. Onder de vrijwilligers bevinden zich nogal wat bureaubeambten, zodat de toelatingseisen niet al te zwaar zijn: "Vrij van militaire dienstplicht, niet brildragend, goed reukorgaan, goede longen en hart en geen lichamelijke gebreken". In september 1938 gaan de ploegen op cursus en beginnen de eerste oefeningen. De inkoopafdeling heeft gezorgd voor de aanschaf van materieel zoals gasmaskers, reddingsapparaten en beschermende kleding tegen mosterdgas. De oefeningen mogen onder werktijd plaatsvinden, iets wat voor die tijd ongebruikelijk is. Onder het dodenhuisje, vlakbij de zijpoort aan de Mijnweg, wordt een commandopost met een eigen, afgeschermde toegang ingericht. In deze post zitten ook de telefooncentrale en de wacht- en rustruimten. Onder een van de vierkante schoorstenen wordt een oefenruimte voor gasmaskers aangelegd en verder komt er op het terrein een stalling voor een brandweerauto en een ambulance. Op schacht Willem II, de paardenstallen op het materiaalterrein, de wasserij en het houtterrein worden waarnemingsposten geplaatst. De stalen stoomdom van ketelhuis I zaagt men in stukken om te dienen als schuilhut voor het personeel van de uitkijkdienst. Op 14 oktober 1938 vindt de eerste grote luchtverduisteringsoefening plaats die - afgezien van wat problemen met de communicatie - succesvol verloopt. De vrijwilligersorganisatie krijgt langzaam maar zeker een professioneel karakter. De Tweede WereldoorlogOp 10 mei 1940 valt een grote Duitse troepenmacht Nederland binnen. Kerkrade wordt zonder slag of stoot veroverd en ook de Domaniale Mijn valt ongeschonden in handen van de vijand. De mijndirectie krijgt het bevel om de kolenwinning met volle kracht voort te zetten. De bezetter gaat direct over tot reorganisatie van de luchtbeschermingsdiensten. De Duitsers vinden een vrijwilligerssysteem de vorming van voldoende geschoold personeel in de weg staan en willen daarom een vast kernteam van personen die uitsluitend voor deze werkzaamheden zijn aangesteld. De wervingscampagne verloopt vlot, sollicitatiebrieven stromen binnen, zelfs van ver buiten de provincie. Voor velen is een baantje bij de luchtbeschermingsdienst een laatste strohalm om aan tewerkstelling in Duitsland te ontsnappen. Tussen de sollicitanten bevinden zich talrijke beroepsmilitairen en onderduikers. Eind 1940 is de kernploeg van de LBDM helemaal vervangen door speciaal daarvoor aangesteld personeel. In drieploegendienst waken de twintig mannen van de uitkijkdienst dagelijks in een monotoon schema van twee uur patrouille lopen op het mijnterrein, twee uur op de paardenstal, twee uur op de wasserij en twee uur op het houtterrein en dan twee uur telefoon bedienen op de commandopost.
De leden van de vaste kern (foto © P. Geilenkirchen) Naast de vaste kern blijven drie reserveploegen paraat, bestaande uit de eerder opgeleide vrijwilligers. De beambten van het eerste uur Mart. Thevissen, Fr. van der Schuren, Fr. Wijnen, Fred. Janssen, J. Consten, H. van Ditzhuysen, Math. Geilenkirchen, P. Thissen en H. Vroemen worden bedankt voor de bewezen diensten en krijgen op 11 februari 1941 van de mijndirectie een gratificatie van fl 25,- uitgereikt. De kolenmijnen zijn ‘lebenswichtig’
Gaande de oorlog begint het karakter van de luchtbeschermingdienst te veranderen. Heerst er eerst een gemoedelijke, wat ‘Dad’s Army-achtige’ sfeer, vanaf 1941 wordt de toonzetting onder druk van de bezetter harder. Op bevel van het militair gezag moet de bedrijfsluchtbescherming zich meer gaan richten op het behoud van de normale productie en bescherming van machines, terwijl de bescherming van het personeel tegen gasaanvallen niet meer voorop staat. Dat betekent bijvoorbeeld dat er later wordt gealarmeerd en eerder wordt vrijgegeven. De Limburgse kolenbedrijven zijn voor de bezetter ‘lebenswichtig’, de productie moet kost wat kost doorgaan en een mensenleven meer of minder telt daarbij niet mee. Op 13 mei 1941 moeten de veertig hoofden bedrijfsluchtbeschermingsdienst in Brabant en Limburg zich melden in hotel Kissels in Roermond. Daar krijgen zij van ene majoor Wolk van de Gendarmerie in Den Bosch te horen dat de Nederlandse luchtbeschermingswet voor de mijnbedrijven buiten werking is gesteld en wordt vervangen door een verordening van de Rijkscommissaris. Dat betekent o.a. dat de bedrijfsluchtbescherming voortaan onder rechtstreeks bevel van het Luftgaukommando Holland en de Ordnungspolizei valt en dus niet ressorteert onder de Inspectie LB. Anders dan bij de gemeenten is de leider van de LBD persoonlijk verantwoordelijk voor de goede gang van zaken. Gordijntjes in de stoomlocsHet Luftgaukommando vaardigt stringente verduisteringsregels uit, die het werk op het bovengrondse mijnterrein bijna onmogelijk maken. Vooral de verlichting van het rangeerterrein en de verlading zijn een voortdurende bron van onenigheid met de Duitsers. De cabines van de stoomlocs krijgen gordijntjes en de asla mag niet meer open blijven staan. De mijnpolitie ziet streng toe op de naleving van de regels. Overtredingen worden bestraft met een geldboete en in het ergste geval zelfs ontslag. Ook de toegangscontrole wordt verscherpt. Behalve het eigen personeel mag niemand zonder speciale ‘Ausweis’ het terrein betreden, zelfs de gemeentepolitie of personeel van de Duitse Wehrmacht niet. Fotograferen is ten strengste verboden en alle luchtfoto’s van het complex moeten uit de bureauruimten worden verwijderd. Regelmatig komt de Generalstabsoffizier op inspectie om de naleving van de regels te controleren. In de schuilkelders!Ruim vier jaar lang vliegen de Engelse bommenwerpers vrijwel elke nacht in grote formaties over Nederland. Vanaf medio 1943 komen daar de grote Amerikaanse B-17’s en B-24’s bij, die in tegenstelling tot de Britten overdag vliegen. Als het doordringende geloei van het luchtalarm klinkt, vluchten de Kerkradenaren in hun kelders, waar ze opeengepakt wachten tot het sein veilig klinkt. Ook op de Domaniale Mijn zijn enkele schuilkelders ingericht, waar vooral de bevolking van Bleijerheide dankbaar gebruik van maakt. In eerste instantie bevindt de schuilplaats zich in de betonnen gewelven onder de losvloer van schacht Willem II, waar ook de maaltijdverstrekking voor mijnwerkers zit. Als gaande de oorlog de bommenwerpers groter en zwaarder worden, acht men deze schuilkelder - die op het maaiveld ligt - niet meer veilig genoeg. Er komen o.a. ondergrondse schuilplaatsen op de 40 meter-verdieping van schacht Willem I en op de 380 meter-verdieping van schacht Beerenbosch.
De Domaniale Mijn blijft al die jaren gespaard van bomaanvallen of neerstortende vliegtuigen. Ook de gasbrigade hoeft nooit echt in actie te komen. Tegen het eind van de oorlog wordt het nog even spannend als de Duitsers er achter komen dat er een geheime ondergrondse telefoonverbinding loopt tussen de Domaniale Mijn en de mijn Willem-Sophia. De paniek is groot als een Duitse eenheid onverwacht een inval doet en handgranaten in de commandopost en de telefooncentrale gooit. Gelukkig raakt er niemand gewond. De dagploeg van de vaste kern krijgt het bevel zich op te stellen tegen een muur bij de Mijnweg. De Duitsers staan met het geweer in de aanslag en iedereen vreest het ergste. Door kalm te blijven weet men uiteindelijk de zaak onder controle te houden. Een lid van de vaste kern - een negentienjarige ondergedoken militair - raakt in paniek en verbergt zich in het uitgebreide gangenstelsel onder het ketelhuis. De Duitsers kunnen hem in deze doolhof niet terugvinden. Achteraf een geluk, want als de angstige jongen tijdens een ondervraging was doorgeslagen waren de gevolgen niet te overzien geweest. Veranderingen in de organisatieBegin 1944 wordt plaatsvervangend hoofd Thissen wegens ziekte opgevolgd door de aan de Domaniale Mijn verbonden geoloog Dr. D.A. Erdman uit de Richerstraat. Deze Erdman speelt een belangrijke rol in de organisatie van de plaatselijke O.D. (Ordedienst), waarin ook leden van de duikorganisatie zitten. Zo ontstaat in het laatste oorlogsjaar een directe link tussen de luchtbeschermingsdienst en de illegaliteit. Waarschijnlijk hebben de Duitsers daar lucht van gekregen, want medio 1944 stellen ze het hoofd bedrijfsluchtbescherming onder curatele. Hij mag niet meer op eigen initiatief begin of einde luchtalarm geven, maar alleen op commando van het Luftschutz-Warnkommando (L.S. WAKO H6) in Geleen en de Vermittlungsstelle Heerlen.
Restanten van de Siegfried Linie of Westwall bij Pannesheide (foto © Paul Geilenkirchen, 2005) Grote veranderingen in de organisatie zijn er verder niet geweest, behalve dan dat in september 1944 de bedrijfsbrandweer en de luchtbeschermingsdienst als gevolg van het “Tijdelijk Brandweerbesluit 1944” van elkaar worden gescheiden in twee afzonderlijke diensten, met elk een eigen hoofd. ‘Na de oefening verbandmiddelen oprollen’
Jan Bouwman (1889-1960) was tussen 1934 en 1944 een van de drijvende krachten van de luchtbeschermingsdienst op de Domaniale Mijn. Aanvankelijk als instructeur en vanaf 1939 als hoofd. Zijn jongste dochter - intussen eenentachtig jaar oud - weet het allemaal nog precies:
De evacuatie van Kerkrade
Dagblad Veritas, 24 oktober 1944 Na de verovering van Parijs op 24 augustus 1944 stoten de Amerikaanse troepen in een snelle opmars door in noordelijke richting. Met het bevrijdingsleger in zicht wordt het emplacement van de Domaniale Mijn in de nacht van 1 op 2 september door ca. tweehonderd man Schutztruppen bezet. Op 5 september wordt de verscherpte staat van beleg over Kerkrade afgekondigd en het bedrijf onder toezicht gesteld van een Duitse gemachtigde. Vanaf dat moment begint onder diens leiding een systematische roof van materialen, gereedschappen en machines, die duurt tot 13 september. Hoewel het bevrijdingsleger op 17 september de buitenwijken van Kerkrade binnentrekt, duurt het nog tot 5 oktober 1944 voordat de stad door de 30th Infantry Division ‘OLD HICKORY’ wordt bevrijd. In de tussentijd huist de vijand op de terreinen en in de gebouwen van de Domaniale Mijn. Sprengkommandos dreigen de mijn onder water te zetten, de mijnwerkers mogen niet meer pompen maar ze doen het toch. Om niet op te vallen maken zij geen gebruik van de liften, maar dalen langs ladders in de mijn af om de pompen in werking te houden. Op maandagmorgen 25 september 1944 krijgt de bevolking van oostelijk Kerkrade het bevel om dwars door de linies heen te evacueren naar bevrijd gebied. Dertigduizend burgers moeten binnen enkele uren huis en haard verlaten. Onderweg wordt de stoet door de Duitsers gebombardeerd, waarbij verschillende doden en tal van gewonden vallen. Kerkrade verandert in een spookstad waar het gespuis - tussen de granaatinslagen door - vrij spel heeft. De 620m-verdieping staat onder waterDaags na de bevrijding krijgen de directie en enkele vaklieden van de Amerikanen toestemming om terug te gaan naar Kerkrade. Bij een eerste inspectie blijkt de 620-meter verdieping helemaal onder water te staan. De eerste prioriteit is om de stoomketels en de elektriciteitsvoorziening te herstellen en de ondergrondse gangen leeg te pompen. Gelukkig valt de schade aan de bovengrondse installaties op het hoofdcomplex aan de Nieuwstraat mee. Alleen de beide schachten, de losvloer en de lampisterie hebben enkele voltreffers gehad. De mijnlampen liggen verspreid over het hele terrein. Het complex Beerenbosch heeft daarentegen wel ernstig geleden onder het oorlogsgeweld. Het centraal machinegebouw is door een granaat getroffen waardoor een compressor is vernield. Ook de schacht en de hijskabels van beide ophaalmachines zijn door granaten getroffen. Eén van de hijskabels is daarbij doorgesneden waardoor de liftkooi naar beneden is gevallen en de onderkabel is vernield. Tot overmaat van ramp is ook het transformatorstation ernstig beschadigd. Op 30 oktober 1944 gaat de mijn weer in bedrijf, zij het dat door de slechte opkomst en gebrek aan gereedschappen en materieel de productie laag blijft. Herhaaldelijk breken er wilde stakingen uit. Door het afvloeien van Duitsers en politiek onbetrouwbare elementen en door het dienst nemen van personeel bij de strijdkrachten en grensbewaking daalt het personeelsbestand met zo’n 14%. Een roemloos einde?De mannen van de luchtbescherming hebben in deze hectische periode weinig voor het bedrijf en hun collega’s kunnen betekenen. Zij waren immers net als de meeste Kerkradenaren geëvacueerd naar bevrijd gebied. Wanneer en hoe de ontmanteling van de LBDM heeft plaatsgevonden is uit het archief niet te achterhalen. In ieder geval kwam de luchtbeschermingsdienst enkele dagen voor de evacuatie nog in actie. Het meest waarschijnlijk is dat de Duitse Schutztruppen het materiaal en de uitrusting van de gasbrigade hebben geannexeerd of vernietigd en dat de LBDM daarmee een roemloos einde heeft gekend. Het is mij niet bekend of de leden van de vaste kern na de bevrijding zijn ontslagen of dat ze zijn opgegaan in de Ordedienst.
November 1944 - fosforbommen verlichten de hemel boven Aken (collectie Velrath) (Noot: Niet alle burgers van Kerkrade zijn in 1944 geëvacueerd, alleen al in de wijk Bleijerheide bleven ruim vijfhonderd mensen achter. Lees ook het boekje "De Bleijerheidse Achterblijvers, gebeurtenissen in een bijna verlaten stadsdeel in oorlogstijd"). Geraadpleegde bronnen: - De Zuidlimburger, Anderdaags blad voor de Mijnstreek dd 29 september 1938. - Dagblad De Tijd dd 9 december 1941. - Dagblad Veritas, september/oktober 1944. - Domaniale Mijn Maatschappij - Jaarverslag 1944 - ’45. - Bernard Bekman - Kerkrade in bange dagen. - Jac. Schreurs - Honderd jaar Ursulinen in Kerkrade 1859 - 1959. - R. van Zandvoort - Kerkrade en de Tweede Wereldoorlog 1937 - 1947. - Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) - Plaatsingslijst 17.04. - Rijckheyt Centrum voor Regionale Geschiedenis - Inventaris van de archieven van de Luchtbeschermingsdienst der gemeente Heerlen 1934 - 1951. - Sjef Smeets - Kerkraadse verzetshelden in de Tweede Wereldoorlog. |
|
|||