Vrijdag 24 mei 2013
Het mijnmuseum Rolduc te Kerkrade en wat daaraan vooraf gingIn de historische omgeving van Rolduc was van 1974 tot 1994 het mijnmuseum gevestigd. Een toepasselijker locatie kon het museum zich bijna niet wensen. In het nabije dal van de rivier De Worm was immers al eeuwenlang sprake van kolenwinning. Het museum bezat een indrukwekkende verzameling mijnbouwkundige voorwerpen, waaronder een houten waterpomp uit de achttiende eeuw, eens het pronkstuk van het voormalige streekmuseum op kasteel Oud-Ehrenstein. Het levenswerk van HouppermansHet waren twee totaal verschillende musea, dat is een feit. Toch zou je het streekmuseum op kasteel Oud-Ehrenstein met enige fantasie als voorloper van het mijnmuseum op Rolduc kunnen betitelen. Beide musea richtten zich op de heemkunde en beide bezaten een omvangrijke mijnbouwkundige verzameling. Maar Oud-Ehrenstein was veel meer dan dat. Het merkwaardige museum, dat kort na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht, herbergde een allegaartje aan oudheidkundige voorwerpen, variërend van prehistorische fossielen en Romeinse urnen tot mijnwerkerslampen en opgezette vogels.
De ingang van het streekmuseum Ehrenstein (ansichtkaart, ca. 1950) Het streekmuseum was het levenswerk van Jos. Houppermans uit Kaalheide, een verwoed verzamelaar van historische voorwerpen. Zijn verzamelwoede begon al op jonge leeftijd, toen zijn vader in de tuin achter het huis een pot met oude munten vond. In de loop van dertig jaar wist hij een verzameling op te bouwen die zo groot was, dat hij het thuis allemaal niet meer kwijt kon. Hij was een autodidact, die alom werd gerespecteerd om zijn oudheidkundige kennis en die nauwe contacten onderhield met diverse wetenschappelijke instanties. Zijn naam was een begrip in Kerkrade en ver daarbuiten. Op zijn aanwijzingen vonden belangrijke archeologische vondsten plaats, zoals de fundamenten van een Romeinse woning op de Krichelberg in Kaalheide (1936), de middeleeuwse pottenbakkersoven in Brunssum (1942) en de Romeinse nederzetting aan de Nieuwenhagerweg in Eygelshoven (1949). Zijn verzameldrift kende geen grenzen. Houppermans bezat onder meer urnen met beenderen van 300 jaar voor Christus, die hij had gevonden in de buurt van Kaalheide. Verder had hij vuurstenen, pijlspitsen, messen, schaven en boren uit het stenen tijdperk, Romeinse gebruiksvoorwerpen, munten en sieraden. Allerlei soorten wapens: pistolen, geweren, kanonskogels, zwaarden, hellebaarden, een harnas, je kon het zo gek niet bedenken of het zat in zijn verzameling. Dan had hij nog fossielen en ertsen, waaronder zeer zeldzame. En last but not least een collectie mijnlampen, variërend van de meest primitieve olielampjes tot de modernste elektrische acculampen.
Kasteel Oud-Ehrenstein vóór de restauratie. Links zien we de oude kloostervleugel waar zich het museum bevond (1961). Een streekmuseum in kasteel Oud-EhrensteinHet streekmuseum was een initiatief van een groepje Kerkradenaren dat de particuliere collectie van Houppermans veilig wilde stellen en toegankelijk wilde maken voor het grote publiek. De eerste plannen voor het museum dateerden al van 1938. Grote animator was pastoor Hubert Spierts van Terwinselen, een man met een uitgesproken belangstelling voor kunst en historie. Als locatie had men een van de zijvleugels van kasteel Oud-Ehrenstein op het oog. Houppermans was bereid zijn collectie in bruikleen af te staan en ook de gemeente Kerkrade wilde graag meewerken door de benodigde ruimte beschikbaar te stellen. De gemeente kon echter weinig doen zolang het leegstaande kasteel nog privé bezit was. Oud-Ehrenstein had van 1904 tot 1924 dienstgedaan als klooster annex onderwijsinrichting voor de uit Frankrijk verdreven paters Franciscanen uit Parijs. Zij waren ook degenen die de lelijke bakstenen zijvleugel tegen het kasteel lieten aanbouwen, waarin men de collectie Houppermans dacht onder te brengen. Na hun vertrek in 1924 wilde de gemeente het kasteel van de paters overnemen maar de onderhandelingen liepen spaak op een prijsverschil van 1000 gulden. Sindsdien raakte het historische gebouw geleidelijk in verval, wat uiteraard een doorn in het oog was van het gemeentebestuur. Plannen van anderen, zoals die van een katholieke stichting om het kasteel als zomervakantieoord of als verblijf voor zieken en herstellenden in te richten, liepen op niets uit.
In 1942 nam de Duitse bezetter het kasteel in beslag en verkocht het een jaar later aan de gemeente voor 20.000 Reichsmark. Kort daarna begon de Algemene Technische Dienst (ATD) van de gemeente Kerkrade met de restauratie en de inrichting van de vier grote museumzalen. Op de gemeentebegroting 1943 was hiervoor 80.000 gulden uitgetrokken. Na de oorlog betwistten de Franse paters de confiscatie door de Duitsers en eisten hun bezit terug. Daarna begonnen opnieuw onderhandelingen met de gemeente over de prijs. Intussen was het museum al een tijdje in gebruik genomen. Het zou nog tot 1952 duren voordat de paters en het gemeentebestuur het eens werden over de aankoopprijs en het kasteel en de bijbehorende 24 hectare grond voor de somma van 45.000 gulden definitief in handen kwam van de gemeente. Op vrijdag 10 augustus 1945 vond de officiële opening plaats. Waarnemend burgemeester J. Spierts verrichtte de openingshandeling onder het toeziend oog van tal van hoogwaardigheidsbekleders waaronder de burgemeesters van Heerlen en Schaesberg, deken De Hesselle, notaris Thomassen en dr. Winand Roukens die zowel Rolduc als de vereniging Veldeke vertegenwoordigde. De Culturele Kring ‘Het land van Rode’ had de ontvangsthal versierd met werken van Kerkraadse kunstenaars zoals Marianne van der Heijden, vader en zoon Arthur en Frans Nols en Frans Ploum. Jos. Houppermans keek vergenoegd toe hoe zijn levenswerk een bekroning kreeg. Corn. Duijkers, oud-directeur van de ATD en tevens de eerste technisch beheerder van het museum, was helaas enkele maanden voor de opening overleden. Een kuiken met drie poten en andere vreemde vogelsHet museum was in beheer bij de Stichting Museum Kerkrade met als bestuursleden pastoor Spierts, Caspar Sprokel en directeur gemeentebedrijven ir. Schlösser. De tentoongestelde voorwerpen waren in bruikleen afgestaan door Jos. Houppermans, pastoor Spierts en de industrieel R. Ubaghs uit Eygelshoven. Laatstgenoemde had eerder in zijn villa een soort fossielenmuseum ingericht, dat na zijn vertrek naar Amsterdam in 1938 jarenlang in kisten ingepakt in de gemeentelijke magazijnen en later in de kelder van een particuliere woning had gestaan. De bekende botanicus dr. A. de Wever, arts te Nuth, schonk zijn hele natuurhistorische collectie aan het museum.
Pastoor Nelissen was van 1919 tot 1946 pastoor van Rimburg. Na zijn emeritaat ging hij op Oud-Ehrenstein wonen. Bij zijn dood vermaakte hij zijn vogelverzameling aan het museum (foto © gemeentearchief Kerkrade). De verzameling bestond uit een mengelmoes van oudheidkundige, natuurhistorische, geologische en mijnbouwkundige voorwerpen, die in lange rijen kasten en vitrines werden getoond. Niet te vergelijken met de manier waarop moderne musea hun collectie aan het publiek laten zien. En tóch had het museum iets bijzonders: de combinatie van historische voorwerpen, krakende houten vloeren en geuren van vervlogen tijden sprak iedereen aan, vooral jonge kinderen. Een bezoek aan museum Oud-Ehrenstein was in de naoorlogse jaren voor menig gezin een geliefd uitstapje in een tijd dat niemand nog televisie had. Welk kind uit die tijd herinnert zich niet de enorme verzameling opgezette vogels van pastoor Nelissen uit Rimburg, met als hoogtepunt het kuiken met drie poten? Of de antieke gemeentelijke brandspuit uit 1849 van de Fabrique Louis van Beethoven uit Maastricht bij de ingang?
Deze houten waterpomp uit de 18e eeuw werd in 1923 in de ondergrondse werken van de Domaniale Mijn aangetroffen. De buizen bestonden uit uitgeholde kersenhouten boomstammen. Door giften van particulieren en instanties breidde de museumcollectie zich in de loop der jaren flink uit. De Domaniale Mijn schonk begin jaren vijftig enkele zeldzame mijnbouwkundige voorwerpen voor de nieuw ingerichte afdeling mijnbouw. Tot de topstukken behoorden de overblijfselen van een waterpomp, die rond 1700 in bedrijf was in het Wormdal. Mijnwerkers hadden dit houten gevaarte in 1923 in de ondergrondse werken van de Domaniale Mijn in vrijwel ongeschonden staat aangetroffen. Andere pronkstukken waren de rijk bewerkte metalen geldkist, waarin de ontvanger van de abdijmijnen in vroeger tijden zijn geld bewaarde, en een zogenaamde ‘Kohlenhund’ of ‘panier’, een slede waarin kolendelvers in de achttiende eeuw steenkolen naar boven haalden. Een heel bijzonder relict was wel de circa 50 cm dikke versteende boomstam, afkomstig uit het oerbos van het Carboon. Van streekmuseum tot chic restaurantIn 1961 werd het Kerkraads streekmuseum voor het publiek gesloten, nadat de conservator door de gemeente was geschorst. Houppermans was niet alleen een fanatiek verzamelaar van oudheden maar ook van antieke wapens en hij wilde daarvoor in het museum een wapenkamer inrichten. In minder dan een half jaar tijd wist hij een enorme hoeveelheid wapens en munitie te vergaren. Het gemeentebestuur had al eens eerder oorlogstuig uit het museum laten verwijderen en wilde niets van een wapenkamer weten. Bij een huiszoeking trof de politie een groot aantal vuurwapens aan, die onmiddellijk in beslag werden genomen. Hoewel het achteraf gezien met een sisser afliep, betekende dit vervelende voorval het begin van het einde voor het museum.
De restauratie van kasteel Oud-Ehrenstein is in volle gang (1965). Tussen 1962 en 1970 werden Oud-Ehrenstein en de bijbehorende carrévormige hoeve onder toezicht van Rijksmonumentenzorg gerestaureerd en in oude luister hersteld. Dat was hard nodig, want het eens zo prachtige kasteel was langzaam maar zeker aan het veranderen in een bouwval. De lelijke bakstenen kloostervleugel en andere bijgebouwen, die de paters Franciscanen in 1904 hadden laten aanleggen, gingen bij de restauratie tegen de vlakte, waardoor het streekmuseum haar vaste expositieruimte kwijtraakte. Na de restauratie richtte de gemeente Kerkrade het kasteel in als centrum voor recreatie, kunst en cultuur. Tegelijk veranderde de naam van Oud-Ehrenstein in het historische juistere ‘Erenstein’. Van het vernieuwde interieur was de grote ontvangstzaal met een prachtige open haard op de begane grond het meest imposant. Op de eerste verdieping bevond zich een grote zaal, waarin kleine culturele evenementen konden plaatsvinden, zoals kamerconcerten en lezingen. Het sterk afgeslankte oudheidkundig museum verhuisde naar de tweede verdieping en was alleen nog open voor bezoek in groeps- of schoolverband. In 1980 kocht horecamagnaat Camille Oostwegel het kasteel om er een exclusief restaurant te beginnen. Daarmee was het lot van het zieltogende streekmuseum definitief bezegeld. De antieke mijnwerktuigen waren toen al verhuisd naar het nieuwe mijnmuseum op Rolduc. De in bruikleen afgestane oudheidkundige voorwerpen gingen terug naar de familie Houppermans en de rest werd opgeslagen in de gemeentelijke depots. Later bleek een deel van de inventaris op onverklaarbare wijze te zijn verdwenen. Volgens anonieme bronnen waren de spullen "verdeeld onder de armen", zoals dat in Kerkrade zo mooi heet.
Kasteel Erenstein na de restauratie (pentekening Hub Boesten, 1968). Het streekmuseum is dood, leve het mijnmuseumAl vanaf begin jaren zestig werd gesproken over de oprichting van een nationaal mijnmuseum, als blijvende herinnering aan de steenkoolwinning in Limburg. Daarbij viel regelmatig de naam van kasteel Hoensbroek, waar zich al een kleine collectie mijnbouwattributen en kunstvoorwerpen bevond. Maar het bleef bij vage plannen. Op 6 december 1968 stelde de voorzitter van het Stadsgewest Oostelijk Mijngebied, drs. Frans Gijzels een werkgroep in die advies moest uitbrengen over de opzet, locatie en financiering van een dergelijk museum. Dat zou naast een educatieve ook een recreatieve rol moeten vervullen. De werkgroep schreef verschillende studierapporten, die echter allemaal tot niets leidden. Een van die plannen betrof het inrichten van een modelmijn op de 75 meter verdieping van de Domaniale Mijn in Kerkrade. De uitvoering was technisch zo ingewikkeld en kostbaar dat men het plan al snel liet varen. De gedachten werden vervolgens geconcentreerd op het vroegere complex van de Staatsmijn Wilhelmina in Terwinselen, vooral omdat daar een combinatie mogelijk was met de voormalige leermijn, de mijnsteenberg en de botanische tuin. Op 15 september 1970 kwam de Stichting Mijnmuseum van de grond onder voorzitterschap van ir. C.E.P.M. Raedts, oud-directeur van de Oranje-Nassaumijnen, die er zijn schouders onder wilde zetten. Raedts behoorde tot de weinigen, die inzagen dat de klok op vijf voor twaalf stond. De laatste Limburgse mijn stond op het punt dicht te gaan en veel van het oude was al niet meer te achterhalen. Voor een compleet overzicht van de mijnhistorie was het feitelijk al te laat. In zijn ogen moest het mijnmuseum een museum van nationaal belang worden, vergelijkbaar met bijvoorbeeld het Zuiderzeemuseum. Het ging tenslotte om het behoud van een stukje nationaal verleden, aldus Raedts in een interview in de krant. Toen ook het plan voor de leermijn op de Staatsmijn Wilhelmina geen haalbare kaart bleek te zijn, besloot het stichtingsbestuur begin 1973 na lang wikken en wegen het museum op twee locaties onder te brengen: een gedeelte in het historische gebouwencomplex van Rolduc en een ander gedeelte in de model-steenkolenmijn Valkenburg. De locatie Rolduc zou zich vooral richten op de educatieve aspecten, terwijl Valkenburg de praktische kanten van de mijnbouw zou tonen. De modelmijn, uitgehouwen in de mergelgrotten van Valkenburg (tegenwoordig Steenkolenmijn Valkenburg), die al vanaf 1917 door de familie Caselli werd geëxploiteerd, was de ideale plek voor het onderbrengen van de grote machinerieën en ondergrondse treinen uit de Limburgse mijnen. Op donderdag 17 oktober 1974 om half twaalf ’s morgens ging het Mijnmuseum te Rolduc open voor het publiek. De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg, de gemeenten in het Oostelijk Mijngebied en diverse particuliere instellingen hadden de kosten van de inrichting voor hun rekening genomen. De collectie was provisorisch ondergebracht in twee zalen van het voormalige priesterhuis van de abdij. In de hal en het trappenhuis hingen schilderijen en kunstvoorwerpen die de mijnbouw als onderwerp hadden, waaronder de bekende ‘Mijnwerker’ van Toorop. Voor de ingang stond het bronzen mijnwerkersbeeld, dat jarenlang de loonhal van de Staatsmijn Emma/Hendrik sierde.
De ingang van het mijnmuseum Rolduc met het mijnwerkersbeeld, dat vanaf 1952 de loonhal van de Staatsmijn Maurits sierde (foto W.J. Hanneman, 1976). Het kleine museum bezat een collectie gereedschappen uit de mijnbouw zoals stutten, hakken, houwelen, boorhamers en een kolenschaaf. Verder een verzameling helmen en petten, mijnlampen en mijnmeetinstrumenten, variërend van antiek tot modern. Ook de oude mijnwerktuigen uit het museum Oud-Ehrenstein vonden een plekje op Rolduc, net als de geologische verzameling van Ubaghs. En ten slotte niet te vergeten een rijk gevulde bibliotheek met historische boeken, foto’s en geologische kaarten. Een waar mekka voor onderzoekers van de mijnbouwhistorie. De meeste spullen waren geschonken of in bruikleen gegeven door de mijnondernemingen, particulieren en Rolduc zelf. In 1974 werd ook een begin gemaakt met de uitbouw van de modelmijn Valkenburg. De steenkolenmijn in de voormalige mergelgroeve, die werd geëxploiteerd door de B.V. Steenkolenmijn Valkenburg, leidde tot op dat moment een beetje kwakkelend bestaan. Met steun van diverse mijnondernemingen en een subsidie van het ministerie van Economische Zaken slaagde men erin de modelmijn om te bouwen tot een natuurgetrouwe kopie van een kolenmijn. De gangen en werkpunten waren zo realistisch nagebootst dat een oud-mijnwerker opmerkte: "Als ze me hier geblinddoekt zouden loslaten, zou ik zo weer aan het werk kunnen gaan". De immense klus kon in 1976 worden geklaard. Vanaf dat moment liepen de bezoekersaantallen snel op en was Valkenburg een toeristische trekpleister rijker. Als tegenprestatie voor de hulp van de Stichting Mijnmuseum verplichtte de steenkolenmijn zich om jaarlijks een bepaald percentage van de recette af te staan aan de stichting. Naar schacht Nulland, Baamstraat of toch Rolduc?In de jaren zeventig onderging Rolduc een ingrijpende renovatie. Hoewel men bij de nieuwbouw rekening had gehouden met ruimte voor het mijnmuseum wilde de Kerkraadse wethouder Cap Schroeder ook verplaatsing naar de gerestaureerde schacht Nulland onderzoeken. Rolduc was vanwege haar mijnbouwverleden weliswaar een toepasselijke plek, maar de Heyendahllaan in Kerkrade was voor bezoekers niet gemakkelijk te vinden. Bovendien was de ruimte op Rolduc te krap om groepen te ontvangen. Een gunstige omstandigheid was dat Rolduc een belangrijke functie had als conferentieoord en dat deelnemers aan conferenties vaak ook een kijkje in het museum namen. Het stichtingsbestuur gaf de voorkeur aan een nieuw onderkomen, vlakbij de modelsteenkolenmijn in Valkenburg. In november 1977 hakte het stichtingsbestuur de knoop eindelijk door: het mijnmuseum zou definitief op Rolduc gevestigd blijven. Dit tot grote vreugde van Rolduc-directeur Jos. Stassen, die fel gekant was tegen verhuizing naar een andere plaats. Het museum kreeg de beschikking over de helft van de gerestaureerde vleugel Klein-Rolduc plus een vleugel van de school. Het nieuwe onderkomen bood drie keer zoveel ruimte als voorheen, wat het mogelijk maakte om stukken tentoon te stellen die tot dan toe in het depot stonden. Drie verdiepingen telde het museum nu, waarvan er twee voor tentoonstellingen bestemd waren. Op zolder kwamen twee nieuwe afdelingen: een over de vuursteenmijnbouw (ca. 3000 v. Chr.) en een over de bruinkoolwinning. Een derde afdeling was gewijd aan de sociale historie. Met medewerking van het Sociaal Historisch Centrum Limburg werd daar onder meer aandacht besteed aan de mijnwerkersstaking van 1917, de Langzaamaanactie, aalmoezenier dr. Poels etc.
Vitrinekasten met steenkool, fossielen en voorwerpen uit de mijnbouw. Voor de vitrine ligt een zogenaamde klok: een kegelvormige steen in het dak (collectie Henk Heijltjes, 1976). Directeur J.A.M. (Jan) Finger uit Brunssum zwaaide de scepter over het mijnmuseum, daarbij geholpen door een aantal (deels gesubsidieerde) beroepskrachten en een tiental vrijwilligers. Het team besteedde veel aandacht aan voorlichting over de mijnhistorie, vooral aan scholieren. Finger had van zijn zestiende tot zijn dertigste ondergronds gewerkt en ook de vrijwilligers waren merendeels oud-mijnwerkers en mijnopzichters. Hun ervaring speelde een belangrijke rol bij het opzetten van educatieve projecten waartoe onder meer een leskist Limburgse steenkolen-mijnbouw, zoektochten naar fossielen op de mijnsteenberg en presentaties door oud-kompels behoorden. Met modellen, maquettes, nagebouwde werkpunten en een kaartenkamer op ware grootte probeerde men het leven van de mijnwerker zo realistisch mogelijk uit te beelden. Ook ontwikkelde het team twee leerzame routes door de oostelijke mijnstreek: de wandeltocht Carboonroute en de auto-/fietstocht Monumentenroute. ‘Bouw een pijler voor het mijnmuseum’Op 5 september 1978 opende de directeur-generaal Culturele Zaken van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM), mr. R. Hotke, het vernieuwde museum. Behalve gelukwensen had hij ook een minder prettige boodschap uit Den Haag meegebracht: het museum zou niet de status krijgen van museum van nationaal belang, wat inhield dat de stichting niet kon rekenen op extra subsidies van het Rijk. Tot dan toe kreeg de stichting jaarlijks een subsidie van 20.000 gulden van het ministerie van CRM en eenzelfde bedrag van de provincie. Ook het Stadsgewest Oostelijk Mijngebied (later omgedoopt in Stadsgewest Oostelijk Zuid-Limburg) verstrekte jaarlijks een subsidie. Samen met de inkomsten uit entreegelden en de royalty’s van de B.V. Steenkolenmijn Valkenburg was het net voldoende om de zaak draaiende te houden. Over bezoekersaantallen had de stichting niet te klagen: eind jaren zeventig wisten jaarlijks 8.000 à 10.000 mensen hun weg naar het mijnmuseum op Rolduc te vinden, terwijl de steenkolenmijn in Valkenburg jaarlijks meer dan 100.000 bezoekers trok.
Aan de hand van deze nagebouwde handpijler konden de bezoekers zien in wat voor kleine ruimte de mijnwerker zijn zware werk moest verrichten(foto © Ton van Renselaar, 1980). Om het financiële leed wat te verzachten startte het Limburgs Dagblad in 1979 een puzzelactie onder het motto ‘Bouw een pijler voor het mijnmuseum’. Van de opbrengst was de helft bestemd voor de aanleg van een lift, zodat ook mindervaliden het museum konden bezoeken. De andere helft was voor de aanschaf van videoapparatuur. Om de actie te ondersteunen schreef journalist Will J. Poulssen een serie artikelen met wetenswaardigheden over de mijnbouw in de krant. Door een ongelukkig toeval viel de actie precies samen met een inzamelactie voor een nationaal mijnmonument op het Domaniale-terrein. Veel lezers dachten ten onrechte dat het geld bestemd was voor dat monument, waartegen in Limburg nogal wat aversie bestond. Ondanks die tegenvaller bedroeg de bruto opbrengst ruim anderhalve ton. Ondanks alle goede wil bleef het mijnmuseum tobben met de financiën. In 1986 draaide het Rijk de subsidiekraan voor regionale musea helemaal dicht, zodat de Stichting Mijnmuseum volledig afhankelijk werd van provincie en stadsgewest. Een paar jaar later besloot het provinciebestuur de subsidiëring te beperken tot drie nieuwe provinciale musea: Bonnefantenmuseum in Maastricht voor kunsten, het Museum voor Industrie en Samenleving Industrion in Kerkrade voor industriële archeologie en het Limburgs Museum in Venlo voor de historie. De kleinere musea in Limburg moesten voortaan zelf hun broekriem ophouden ofwel bij de lokale overheden aankloppen.
![]() Klik hier voor meer foto’s van het voormalige mijnmuseum Rolduc. Cultuurbeleid de doodsteek voor het Mijnmuseum RolducHet provinciale cultuurbeleid betekende de doodsteek voor het Mijnmuseum Rolduc. Eind 1994 ging het museum definitief dicht, ruim drie jaar voordat het nieuwe Industrion klaar was. De Stichting Mijnmuseum fuseerde met de Stichting Museum voor Industrie en Samenleving / Industrion en het vaste personeel ging over in dienst van het nieuwe Industrion. Door het stopzetten van de subsidie van het Stadsgewest Oostelijk Zuid-Limburg was in 1994 zo’n groot negatief exploitatiesaldo ontstaan, dat sluiting onontkoombaar was. De wens om het Mijnmuseum Rolduc tot de opening van het Industrion open te houden was onhaalbaar geworden. Vanaf dat moment richtte de museumstaf alle energie op de toekomst, onder meer door het conserveren en indien nodig restaureren van de collectie, de nieuwbouw van het Industrion, de ontwikkeling van een ‘storyline’ en de inrichting van de vaste expositie. Het personeel van het Industrion in oprichting kreeg tijdelijk onderdak in een kantoor aan de Einderstraat in Kerkrade. Voor de opslag van de inventaris werd ruimte gevonden in een loods op het voormalig Laura terrein in Eygelshoven. Later verhuisden de spullen naar een loods van de voormalige wasserij van Massop op Bleijerheide. De verzameling historische boeken werd overgedragen aan het Sociaal Historisch Centrum Limburg in Maastricht. En zo kwam een eind aan het geesteskind van ir. Raedts, de mijndirecteur die zich zo sterk had gemaakt voor de oprichting van een mijnmuseum in Limburg.
Een spel van licht en lijnen voor de ingang van het vm Industrion in Kerkrade (foto © Paul Geilenkirchen, 2004). Van Industrion naar Continium Discovery CenterIn vijf jaar tijd werden voor bijna veertig miljoen euro drie nieuwe Limburgse musea uit de grond gestampt. Het industriemuseum Industrion opende in juni 1998 haar deuren voor het publiek. Het is - of beter gezegd was - gehuisvest in een modern gebouw met een bijzondere architectuur, ontworpen door Dirrix & van Wylick Architecten uit Eindhoven. Aan de buitenzijde domineerden een galerij van knalrode stalen balken en een vijfentwintig meter hoge schachtbok de entree. De basis voor de collectie was afkomstig uit het Mijnmuseum Rolduc, aangevuld met objecten die verzameld werden vanuit het nieuwe aandachtsgebied van Industrion: de wisselwerking tussen industrie en samenleving in Limburg in de afgelopen honderdvijftig jaar. In een reeks thematische voorstellingen, die als een lint door het gebouw liepen, werd de industriële ontwikkeling van Limburg in al haar facetten gepresenteerd. Vanwege de beperkte ruimte moest een groot deel van de mijnbouwrelicten worden opgeslagen in de overvolle depots. Dat gold ook voor de oude waterpomp uit de Domaniale Mijn, ooit het pronkstuk van het streekmuseum Oud-Ehrenstein. Gelukkig is de houten pomp die uiteen dreigde te vallen, vooraf professioneel geconserveerd en op die manier behouden voor het nageslacht. De versteende boomstam uit het Carboon is nooit meer teruggezien, naar het schijnt heeft die de opslag in het Industrion niet overleefd. Na een paar succesvolle beginjaren liep het bezoekersaantal van het Industrion begin jaren 2000 sterk terug. Met een nieuwe directie en wisselexposities als ‘Leonardo Da Vinci - 101 projecten’ en ‘Spionagetechnieken van James Bond’ wist het museum het tij te keren maar het was niet genoeg om het publiek blijvend te boeien. Na ruim tien jaar het verhaal van anderhalve eeuw wonen, werken en leven in Limburg te hebben verteld, werd de koers verlegd van een traditioneel museum naar een ‘interactief doe- en beleefcentrum’ rond het thema wetenschap en techniek. In 2009 onderging het Industrion een metamorfose en kwam het in een nieuwe gedaante terug als Continium Discovery Center.
Mijnwerkerskleren hangen aan kettingen hoog aan het plafond van het vm Industrion (foto © Paul Geilenkirchen, 2004). ![]() Klik hier voor meer foto’s van het Industrion. Een kaarsje bij St. BarbaraEvenals als het Industrion wil het Continium Discovery Center zich niet als mijnmuseum profileren. De steenkolenmijnbouw vormt dan ook maar een bescheiden deel van de vaste expositie. Wie het authentieke mijnwerkersgevoel wil proeven kan daarom beter naar het Nederlands Mijnmuseum in Heerlen gaan. In de historische omgeving van de oude mijnschacht van de Oranje-Nassaumijn I leiden oud-mijnwerkers je rond en vertellen hun verhalen van vroeger, doorspekt met mijnjargon als aafbouwe, poekele en boetere. Het museum, dat tevens een ontmoetingsplek is voor oud-mijnwerkers, draait helemaal op vrijwilligers. Men begroet elkaar met Glück Auf en naar goed mijnwerkersgebruik brandt er altijd een kaarsje bij het beeld van St. Barbara, patrones van de mijnwerkers.
![]() Klik hier voor meer foto’s van het vroegere mijnmuseum Rolduc. Geraadpleegde bronnen: - HCL - EAN_1224 Stichting Mijnmuseum. - Eigen archief P. Geilenkirchen. - Tijdschrift Steenkool, jaargang 1948. - Tijdschrift De Mijn - Personeelsblad van de Laura & Vereeniging, jaargang 1960, 1963, 1972. - Limburger Koerier van 17 juni 1938. - Limburgsch Dagblad van 11 augustus 1945. - Leidsch Dagblad van 17 februari 1973. - DSM Magazine mei 1976. - Limburgs Dagblad - Bouw een pijler voor het mijnmuseum (diverse nummers uit 1979). - Diverse andere krantenartikelen. - Rapportage Visitatiecommissie Limburgse musea (2008). - Continium, jaarverslag 2009. - Provincie Limburg - Museumnota 2009-2012. Meer kwaliteit voor meer publiek. |
|
|||||||||||||||||||