Zondag 5 februari 2012

In de steenkolenwasserij

door Paul Geilenkirchen

Oud-opzichter Jaap Besjes (90) heeft het allemaal van nabij meegemaakt! Ruim twintig jaar werkte hij in de onderhoudsafdeling van de wasserij op de Domaniale Mijn. De van oorsprong uit Rotterdam afkomstige werktuigbouwkundige kende het bedrijf van binnen en van buiten, dus als er iemand is die veel weet over het kolenwasproces, dan is hij het wel. Ik sprak met hem in het Zorgcentrum Bocholtz, waar hij tot vorig jaar verbleef.

Van Rotterdam naar Kerkrade

Samen met zijn inmiddels overleden vrouw Han kwam Besjes in 1940 na het bombardement op Rotterdam naar Limburg, waar hij een baan kon krijgen op de Domaniale Mijn. Zijn vader werkte bij EMF Dordt en had goede contacten met de chef van het Elektrisch Bedrijf, J.Th. Bouwman (mijn grootvader). Die kon wel een tijdelijk baantje regelen voor de jonge werktuigkundige. En zo kwam de geboren Rotterdammer in Kerkrade terecht.

Opzichter Jaap Besjes (midden knielend) begeleidt enkele bezoekers (ca. 1950)

De Besjes wilden eigenlijk maar drie maanden blijven, maar het beviel het echtpaar zo goed dat ze besloten om zich voorgoed in Kerkrade te vestigen. Natuurlijk waren er in het begin problemen met het Kerkraads dialect en de toch wel andere mentaliteit van de zuiderlingen, maar dat woog niet op tegen de voordelen die het leven in het kleinsteedse Kerkrade bood.

Kolen winnen onder Rolduc

Besjes begon als technicus op de afdeling Bedrijfscontrole: "Mooi werk maar soms slaapverwekkend met al dat papieren cijferwerk. In de oorlog werd ik via het bouwbureau een half jaar op Rolduc gestationeerd om daar opmetingen te doen. De abdij stond op een veiligheidspijler om mijnschade aan het monumentale gebouw te voorkomen. Het Duitse Oberkommando had daar geen boodschap aan en gaf opdracht om onder Rolduc kolen te delven. Wij probeerden natuurlijk tijd te rekken, wat niet altijd even gemakkelijk was omdat duitsgezinde leidinggevenden je achter de broek zaten! Uiteindelijk hebben we Rolduc toch kunnen sparen van de rovers."

Na de oorlog kwam hij op de onderhoudsafdeling wasserijen en zeverijen terecht, wat vooral in het begin fysiek slopende jaren waren. De Domaniale bezat nogal veel machinerie van Duitse herkomst die eigenaar Willem van der Vorm samen met het bijbehorende personeel voor een prikje opkocht uit failliete boedels. Na de bevrijding in 1944 werden de Duitsers massaal ontslagen, waarmee ook de vakkennis verdween die sommigen van hun angstvallig geheim hadden weten te houden.

Besjes: "Vaak werd ik ’s nachts uit bed geroepen als er een storing was. Reservedelen waren er niet. Wij probeerden dan de zaak met improviseren weer aan de praat te krijgen. Je lag nog niet in bed of je werd weer geroepen omdat iets anders het begeven had. Hoogst ondankbaar werk was dat. En als je door je hoeven zakte, dan zochten zij wel een ander die het dan misschien dacht te kunnen oplossen, meestal zonder resultaat."

Links wasserij/zeverij I en rechts tussen de schoorstenen schacht Willem I (ca 1901)

De oude wasserij

De oudste wasserij van de Domaniale stamde uit 1901. In dat jaar kreeg de Willemschacht een nieuwe ijzeren schachtbok en een moderne ophaalmachine met ronde stalen kabels. De oude ophaalmachine met aloëkabels (soort touw) werd buiten werking gesteld en afgebroken. Tegelijkertijd nam de mijn een nieuwe wasserij/zeverij in gebruik, een enorme betonnen kolos die door een ijzeren brug was verbonden met het schachtgebouw. De wasserij werd geleverd door de firma Maschinenbau-Anstalt Humboldt in Kalk bij Keulen.

Over de ijzeren brug reden de mijnwagentjes af en aan. De volle werden vanuit de lifkooi naar de wasserij/zeverij gesleept en de lege gingen weer terug naar de schacht. In de wasserij kwamen de volle wagentjes in een kolenwipper terecht, die ze een voor een leegkiepte op een schudzeef met mazen van 80 mm. De stukken boven 80 mm werden op een zgn. ‘leesband’ door leesjongens en afgekeurde mijnwerkers ontdaan van stenen en verontreinigingen en vandaar naar spoorwagons geleid, waar zij als stukkolen werden geladen. Soms werd de stukkool ook vermengd met gruiskool tot zogenaamde ‘gemengde kolen’.

Dwarsdoorsnede van wasserij/zeverij I
(tekening: Maschinenbau-Anstalt Humboldt, Kalk, 15 juni 1900)

De uitgezeefde kolen beneden 80 mm kwamen in een grote voorraadbunker terecht, vanwaar ze via een emmerlader naar een zeef werden gevoerd. Deze sorteerde de kolen op grootte in zes soorten: fijnkolen (kleiner dan 8 mm), nootjes V (van 8 tot 12 mm), nootjes IV (van 12 tot 18 mm), nootjes III (van 18 tot 30 mm), Würfelkolen II (van 30 tot 50 mm) en Würfelkolen I (van 50 tot 80 mm). De nootjes en Würfelkolen gingen daarna naar de wasserij, waar zij werden ontdaan van stenen. Tenslotte werden de kolen voor het laden in de wagons met een sproeimachine van gruisdeeltjes gezuiverd.

Het ‘wassen’ van steenkolen gebeurde in een bed van veldspaat (= gesteentevormend mineraal), dat rustte op staafvormige roosters waar van onderaf tussen de spleten door mijnwater pulseerde. De pulserende beweging kwam van een houten zuiger die op excentriek zat gemonteerd op een as in de bodem van de bak. Door de golfbeweging bewoog de steenkool zich in een soort dansende beweging over het water voort, vandaar ook wel de naam ‘deinwasmachine’. De kooldelen stroomden met het water mee over het soortelijk zwaardere veldspaat en het nog zwaardere gesteente zakte onder het bed, waar het werd uitgebaggerd. Het mijnwater werd weer opgepompt en hergebruikt.

Leesjongens aan de leesband op de Domaniale Mijn (1938)

"Een enorme stofvreterij"

De gruis en fijnkool uit de zeverij gebruikte men als goedkope brandstof in het eigen ketelbedrijf. Het was slecht spul maar weggooien was er niet bij, ’t Tsentsekülsje moest immers op de kleintjes letten!

Besjes vertelt: "Het stoken was een erbarmelijke, bijna onmenselijke slavenarbeid door het stof en de rookgassen en het continu breken van het slakkenbed om de luchttoevoer mogelijk te houden. Hoe heter het vuur, des te meer de slakken smolten en klonterden. Een ton "brandstof op de schop" in de vuurgang werpen was gelijk aan ietsje minder aan slakken er weer uit trekken! Het ontbrekende deel moest regelmatig als vliegas weer uit de ketelgangen worden verwijderd!!! Een enorme stofvreterij voor de hulpkrachten in het ketelbedrijf. Je opa Leonard, die opzichter was in het ketelbedrijf, had tot taak om "de druk op de ketels te houden", met die troep bijna onbegonnen werk!"

Machine-opzichter Leonard Geilenkirchen (rechts) voor het ketelhuis (ca 1930)

Besjes heeft de oude wasserij maar eenmaal in bedrijf gezien: "Dat was rond 1942 toen door een breuk in de hoofdtransmissie-as van wasserij II het hele bedrijf stil viel. Iemand van de leiding van het bovengronds bedrijf kwam op het onzalige idee te proberen of met die oude wasserij I nog wat te redden viel. Nee dus!!! Een ellende van herrie en stofboel was dat toen!!!"

Vernieuwingen in de jaren ’20

Begin jaren ’20 waren de bovengrondse installaties hoognodig aan vervanging toe maar zolang de patstelling rond de verlenging van het pachtcontract voortduurde, wilden de eigenaren geen nieuwe investeringen doen. Pas na de grote mijnwerkersstaking van 1921 kwam een nieuwe overeenkomst met de Staat tot stand. In 1925 gingen opdrachten de deur uit voor de aanleg van een nieuwe schacht (schacht Willem II), een wasserij met zeverij en brekerij en een briketfabriek. Ook de ketelhuizen, zagerij en het spoorwegemplacement werden uitgebreid.

De nieuwe wasserij/zeverij van de Duitse firma Schüchtermann & Kremer - Baum A.G. für Aufbereitung in Essen kwam in 1928 in dienst. De installatie kon 150 à 175 ton steenkool per uur verwerken, een verdubbeling ten opzichte van de oude wasserij uit 1901. Wasserij II had twee wassysteembakken met veldspaat en zeefde daarna pas af op soort. Bovendien was er een hoogbassin en een bak om fijnkool te wassen die daarna in de briketfabriek geschikt werd gemaakt voor industrieel gebruik.

Het interieur van de wasserij met op de voorgrond een bedieningstableau (ca. 1920)

Al kort na de ingebruikstelling moest de mijn op zoek naar een beter systeem. De wasinstallatie gaf veel problemen omdat de ruwe steenkool in de velden van de Domaniale veel kleine platte stenen bevatte, die moeilijk te verwijderen waren. Bovendien verliep de scheiding naar soortelijk gewicht niet erg zuiver, met als gevolg dat kostbare kool verloren ging. Dat betrof vooral het zogenaamde zwevende middelproduct (ook wel mixt genaamd), een soort tussenproduct dat gedeeltelijk uit steenkool en gedeeltelijk uit minerale verontreinigingen bestaat.

De suspensiewasserij van Tromp

In 1939 nam de Domaniale Mijn een nieuw wasprocedé in gebruik volgens het Patent Tromp. Deze scheikundig ingenieur, geboortig uit het Friese Bolsward, had een variant bedacht waarbij "gewoon" mijnwater werd vermengd met magnetiet in plaats van met veldspaat.

Interieur van de Tromp proefwasserij op de Domaniale Mijn met een wasbak (ca. 1950)

De gebruikelijke wasbakken konden slechts twee producten scheiden. Om te voorkomen dat het kostbare middelproduct verloren ging, moest het materiaal dat naar de bodem zonk een tweede bewerking ondergaan. Tromp vond in 1934 de drieproductenbak uit, een ingenieus systeem dat in één procesgang drie producten kon scheiden: zuivere kool, middelproduct en steen.

Als suspensie gebruikte Tromp een mengsel van water en magnetiet (ijzererts). Het erts werd in een kogelmolen gezeefd op een korrelgrootte van 0,1 mm. Besjes kent na zestig jaar alle details nog uit zijn hoofd: "Dat deden we met fijnstapelzeven, de zeeftijd hadden we proefondervindelijk vastgesteld. Spaans ijzererts was het beste materiaal maar in de oorlog konden we alleen maar Noors ijzererts krijgen dat met een treinwagon werd aangevoerd. Het ijzererts gebruikten we steeds opnieuw door het te regenereren met trommelseparatoren."

Tip: lees ook het artikel "Het Patent Tromp"".

Studiebureel voor kolenmijnen/triage lavoir van S.A. Cribla in Brussel rond 1965
(foto met dank aan Raymond Mabille).

De laatste loodjes

In de jaren ’50 heeft de Domaniale nog een tijdje geëxperimenteerd met een droogwasserij voor fijnkool van de Belgische firma Cribla. Jaap Besjes was er niet zo tevreden over: "Dat systeem scheidde door onder de fijnkool lucht te blazen, terwijl dat over geperforeerde schuin geplaatste tafels gleed die in trilling werden gebracht. Het was een mooie, maar dure constructie met een lage capaciteit (20 ton/uur). Voor de bediening waren alleen al twee man personeel nodig, om nog maar niet te spreken over onderhoud en materialen." Het was niet de eerste keer dat met een droogwasserij werd geëxperimenteerd. Al in 1939 had de Domaniale als enige Limburgse steenkolenmijn een hypermoderne droogwasserij voor fijnkolen in gebruik van de Engelse firma Birtley (de zogenaamde Birtley dry cleaner).

De ruim 90-jarige Besjes zit nog regelmatig achter de computer

De laatste grote vernieuwing vond plaats in 1963, toen S.A. Cribla in Brussel opdracht kreeg voor de levering van een zware-vloeistof notenwasserij, bruutkolenzeverij, stenenverwerkingsinstallatie en mijnwagenomloop met een totale waarde van Bfrs 42.228.000,-. De nieuwe installatie was geen lang leven beschoren want in 1969 zou de Domaniale Mijn voorgoed haar poorten sluiten.

In 1970 werden de gebouwen van de wasserij gesloopt. Schietmeester Schols van aannemersbedrijf Couwenbergh uit Geleen had er een flinke klus aan om de betonnen kolossen op te blazen. De 36 meter hoge suspensie-kolenwasserij was zo gigantisch dat deze niet in één keer omver kon worden geblazen. De slopers moesten het gebouw eerst met 10 kilo springstof in tweeën splitsen voordat het tegen de vlakte ging.

Voor Besjes waren de laatste jaren niet de gemakkelijkste. Door gezondheidsproblemen als gevolg van lichamelijke slijtage moest hij in 1964 vervroegd uittreden. Na zijn vertrek op de Domaniale Mijn werkte nog een zestal jaren op de Laura & Vereeniging in Eygelshoven, een periode die hij zich herinnert als "plezierige jaren bij een Belgische onderneming, veel groter en voor mij met een heel andere geest dan de Domaniale."

Geraadpleegde bronnen:

- Process and apparatus for cleaning coals and other materials - United States Patent 2139047 dated 12-6-1938, Klaas F. Tromp.

- Geologie en Mijnbouw - Kolenwasserijen, 21e jaargang nummer 3, maart 1959.

- Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) - Plaatsingslijst 17.04 - Patent Tromp.

top
 top