Vrijdag 18 mei 2012

Over ongevallen in de mijnbouw

door Paul Geilenkirchen

Als de stoomfluit op schacht Willem het alarmsein gaf voor een zwaar mijnongeval, dan ging er een siddering door Kerkrade. Wie zou er deze keer zijn getroffen? Misschien wel een bekende, een echtgenoot, vader of zoon? Mensen dromden in angstige spanning samen voor de gesloten poorten aan de Nieuwstraat. Even later verliet de mijnpolitie het terrein om ergens bij een deur in de stad aan te kloppen en het slechte nieuws te brengen, daarmee de zoveelste Limburgse familie in diepe rouw dompelend.

Een gevaarlijk beroep

Een paar regels in de krant, dat was meestal alles.

Het is bijna niet voor te stellen dat in de vorige eeuw in Limburg gemiddeld twee mijnwerkers per maand dodelijk verongelukten. Ondanks alle strenge veiligheidsmaatregelen en intensieve controles door het staatstoezicht en de mijndirecties. En het ergste is dat iedereen het destijds heel normaal vond. Een paar regels in de krant, dat was meestal alles.

Toch behoorden de Nederlandse mijnen tot de veiligste ter wereld. De mijndirecties deden er alles aan om ongevallen te voorkomen. Op de Ondergrondse Vakschool werden de veiligheidsmaatregelen er bij de mijnscholieren ingehamerd. Elke werknemer kreeg bij zijn aanstelling een exemplaar van het Mijnreglement uitgereikt, waarin de veiligheidsbepalingen vet gedrukt stonden. Met ontelbare voorschriften, waarschuwingen, ge- en verbodsborden probeerde de leiding het personeel veiligheidsbewust te maken.

Vooral de veiligheidsdienst van de Staatsmijnen was bekend (bij sommigen berucht) om haar strenge regelgeving. Voor elk aspect van de mijnbouw bestond wel een apart boekje met richtlijnen en wenken. Veiligheidsopzichters en -controleurs hielden de boel scherp in de gaten. Overtredingen werden zwaar bestraft: soms met een waarschuwing of boete, in ergere gevallen met inhouding van loon of zelfs ontslag op staande voet. Als je onveilig werkte bracht je immers niet alleen jezelf, maar ook je kompels in gevaar. Bedrijfsongevallen leidden bovendien tot stagnatie in de productie en waren vanuit dat oogpunt voor de mijndirecties ongewenst.

De 22-jarige loswerkman Johan Wijnen uit de Clarastraat raakte op 15 oktober 1935 op schacht Beerenbosch bekneld tussen een rol en een transportband, waarbij hij dodelijk verongelukte (gemeentearchief Kerkrade, 1935).

Toch gebeurden er regelmatig ongelukken. De meeste mijnwerkers dachten er liever niet over na, risico’s hoorden nu eenmaal bij het vak. Totdat het een van hun kameraden trof, dan kwam de dood plotseling wel erg dichtbij. De herinnering aan een dodelijk ongeval in je nabijheid bleef een heel leven hangen, zoiets vergat je nooit. De meeste mijnen hadden een lijkenhuisje waar verongelukte mijnwerkers konden worden opgebaard. Voor velen een wat sinistere plek waar men liefst in een grote boog omheen liep.

Geen echte grote mijnrampen op de Domaniale Mijn

Tussen 1845 en 1971 lieten op Domaniale Mijn ruim 170 man tijdens hun werk het leven. Het gaat hier alleen om de geregistreerde slachtoffers, het werkelijke aantal lag veel hoger. Gewoonlijk bracht men ernstig gewonden zo gauw mogelijk van het terrein af. Degenen die later in het ziekenhuis alsnog stierven, werden in de officiële cijfers niet meegerekend. Iets wat de mijndirectie uiteraard goed uitkwam.

Op de lijst met verongelukten staan ondergronders, bovengronders en personeel van derden, zoals aannemers en onderhoudsbedrijven. Onder hen waren verschillende nationaliteiten: Nederlanders, Duitsers, Belgen, Polen en zelfs een Rus. Echte grote mijnrampen, zoals de ontploffing in de Duitse kolenmijn Grube Anna II in Alsdorf in 1930 (271 doden) of het ongeluk in het Belgische Marcinelle in 1956 (262 doden) hebben zich in de Kerkraadse mijnen gelukkig nooit voorgedaan.

Het eerste mijnongeluk waarvan Ingenieur der Mijnen Franz Büttgenbach melding maakt, vond plaats op 4 oktober 1842. Omstreeks middernacht werd de vijftigjarige Arnold Joseph Doveren van de Domaniale Mijn op de 260 meter-verdieping in laag Groot-Mühlenbach aan zijn hoofd geraakt door een gebroken ketting, bedoeld om wagentjes tegen een helling op te trekken. De man was op slag dood.

Verraderlijk mijngas, vijand nummer één

Een ander verslag vermeldt de dood van vier werklieden door een ontploffing van mijngas in de laag Merl op 19 juli 1852. Het betrof de koolkappers Cristian J. Lennertz (23), Laurens Rutten (27), Lodewijk Goris (24) en Frans Ploum (37), allen afkomstig uit Kerkrade. In de vroege maandagochtend waren zeven mannen aan het werk in een luchtweg om een verbindingsgang tussen twee galerijen aan te leggen. Omdat in de luchtweg mijngas aanwezig was hadden ze daar een ventilator geplaatst. Ze moesten anderhalf uur wachten totdat alle schadelijke gassen verdreven waren, maar na een half uur werd een van hen ongeduldig en liep de gang in. Voorzichtig tastte hij met zijn mijnlamp de vloer af. Toen de gazen cilinder van zijn mijnlamp ging gloeien maakte hij snel rechtsomkeert. Een kwartier later probeerde hij het nog eens, maar weer ging het gaas gloeien. Hij waarschuwde zijn kameraden dat het nog niet veilig was. Vermoedelijk heeft hij bij het oppakken de lamp te abrupt bewogen, waardoor de vlam buiten de gazen cilinder sloeg. Een zware explosie volgde. Twee mannen stierven nog dezelfde avond en twee andere de volgende dag.


Twee beschermers van de mijnwerkers: St. Barbara en de benzinelamp
(foto © Paul Geilenkirchen, 2010).

De verbandkamer

Lag het toezicht tot de eeuwwisseling vooral bij de Dienst van het Mijnwezen, met de Mijnwet van 1903 werd het mogelijk de eigenaar verantwoordelijk te stellen voor een behoorlijke bedrijfsvoering. In het Mijnreglement 1906 stonden o.a. bepalingen over de veiligheid, arbeidsomstandigheden, werktijden, gezondheid en hygiëne. Met het nieuwe reglement kwam ook een einde aan de kinderarbeid en arbeid door vrouwen onder de grond.

De aangescherpte wetgeving was voor het mijnbestuur aanleiding een eigen reddingsbrigade op te richten, bestaande uit speciaal voor dit doel getrainde mijnwerkers. Zij kwamen bij explosies, insluitingen en andere ongevallen in actie om hun collega’s te redden. Bij de oprichting in 1906 beschikte de brigade over vier beademingsapparaten ‘Westfalia’, gasmaskers, draagbaren en zelfs een ziekenwagen bespannen met een paard. Volgens het Mijnreglement 1906 moest er ook een mijnarts worden aangewezen. Voor de Domaniale Mijn was dat de uit Asten afkomstige huisarts dr. V.A.H. Panhuijsen, de latere directeur van het ziekenhuis.

Eerste verbandmeester Joep Geilenkirchen past bij een patiënt kunstmatige ademhaling toe met de Sauerstoff-Koffer für Wiederbelebung van Dräger (ca. 1914)

Enkele jaren later kwam er een verbandkamer, waar slachtoffers van bedrijfsongevallen konden worden behandeld. Verbandmeester en Kerkraads dialectdichter Joep Geilenkirchen zwaaide daar van 1912 tot 1930 de scepter. De medische verzorging bleef in die tijd beperkt tot eerste hulp, echt zware verwondingen moesten door de huisarts of in het ziekenhuis worden behandeld. Over gebrek aan patiënten had de verbandmeester niet te klagen. Zijn verslag over het jaar 1918 vermeldt dat er 16.557 verbanden werden aangelegd, 511 man geneeskundige behandeling ondergingen en 44 man na een ongeval in het hospitaal moesten worden opgenomen.

In 1917 kreeg hij assistentie van leerling-verbandmeester Frans Heijmans. Daarna breidde de medische staf zich langzaam uit tot acht verbandmeesters. Behalve Geilenkirchen en Heijmans behoorden Willy Heijltjes en Jo Consten tot de verbandmeesters van het eerste uur. Een van de naoorlogse verbandmeesters was Frans Coumans, die eerst bij Roda JC en later landelijk naam maakte met zijn speciale zwachtelmethode voor sportblessures, de zgn Coumans-bandage. Dokter V.A.H. Panhuysen overleed in 1918 en werd in 1923 opgevolgd door de full-time mijnarts dr. Ben Veraart.

De jonge verbandmeester Frans Heijmans legt een hoofdverband aan (ca. 1925)

‘De jodiumdokter van Nederland’

Het werk in de verbandsboed was vaak hectisch. Vooral aan het eind van de ochtendsjiech zat de wachtkamer altijd helemaal vol. Mijnwerkers met verwondingen of kwalen liepen in en uit. Er kwam een hele administratie aan te pas: elk letsel dat men tijdens het werk of onderweg van of naar het werk opdeed, moest aan het loket worden ingeschreven. De verbandmeesters werkten in drie diensten: dagdienst, ochtenddienst en middagdienst. Degene die dagdienst had moest ook ’s nachts oproepbaar zijn. ’s Zaterdags glipten vaak gepensioneerden binnen om een praatje te maken met deze of gene. De verbandkamer had ook een belangrijke sociale functie, menigeen klopte aan om raad te vragen voor problemen op andere gebieden.

Bij de andere Kerkraadse artsen ondervond de verbandkamer soms tegenwerking, omdat patiënten voor wondbehandeling liever naar de mijn gingen dan naar hun eigen huisarts. Regelmatig belden mensen bij verbandmeester Frans Heijmans thuis in de Erpostraat 7 aan met een verprutste wond. Ook met het Kerkraadse hospitaal, waar dr. Veraart in 1923 een afdeling voor zware mijnongevallen had opgezet, boterde het niet erg. Niet iedereen kon daar de bevlogenheid van de mijnarts op zijn merites waarderen.

Het medisch team van de Domaniale Mijn had een goede reputatie. Mijnarts dr. Ben Veraart verwierf internationale bekendheid door zijn revolutionaire methode van wondbehandeling, gebaseerd op het werk van de Engelse chirurg Joseph Lister (lees meer in De jodiumdoktor van Nederland). Bij de bestrijding van stof in wonden met als gevolg blauwe littekens hadden Veraart en zijn verbandmeesters veel succes. Op de verbandkamer deed men in de jaren vijftig proeven met mijnstof bij witte muizen, waarbij nauw werd samengewerkt met dr. J.B. Drenth, bacterioloog en huisarts te Kerkrade. De samenwerking tussen de twee artsen dateerde al van de jaren twintig, toen zij op verzoek van directeur Hulsman bacteriologisch onderzoek deden aan de verwondingen, zoals die in het mijnbedrijf voorkwamen. Beiden promoveerden op dit onderwerp.

Kapelaan op de mijnfiets

Op de kinderen van Heijmans, die in 1930 zijn leermeester Joep Geilenkirchen als eerste verbandmeester opvolgde, maakte een dodelijk ongeval altijd diepe indruk. Zoon Wim Heijmans weet het zich nog goed te herinneren:

"’s Nachts rinkelde bij ons thuis in de gang menig keer de telefoon. Mijn vader vertrok dan spoorslags naar de mijn. Als aan de overkant van de straat de voordeur van de kapelaanswoning openging, dan wisten wij al dat het ernstig was. Mijn vader vertelde dat hij met de kapelaan achter op de fiets door de mijn naar de plek van het ongeluk ging. Bij kapelaan Vreuls was dit door zijn lengte niet altijd eenvoudig. Hij moest zich diep bukken om zijn hoofd niet te stoten. Vaak kwam het voor dat mijn vader pas een dag later thuis kwam. Hij was dan meestal stil, vooral als het ernstige ongelukken waren. Als vader de mijn in moest voor een ongeval, stak mijn moeder thuis een kaars aan. Ze wist dat de ongelukken meestal gebeurden op gevaarlijke plekken, bijvoorbeeld in ingezakte lage steengangen die nog kraakten, waar mijnwerkers onder de stenen lagen. Hij moet de gruwelijkste dingen hebben gezien maar sprak er thuis weinig over."

De verbandmeesters Heijmans, Heijltjes en ??. Zittend arts in opleiding G.W. van der Vorm uit Rotterdam, die stage liep op de verbandkamer (1941).

Bekijk hier meer foto’s van de verbandkamer.

Reddingsbrigade zwoegt acht uur

Behalve het verraderlijke mijngas lag nog een hele reeks andere gevaren op de loer. In de negentiende eeuw behoorden afvallend gesteente en vallen in de schacht tot de meest voorkomende ongevaloorzaken. Mijnwerkers droegen in die tijd geen helm maar een wollen muts en van beschermende kleding en schoeisel had nog niemand gehoord. Zo raakte in 1865 de 46-jarige koolhouwer Hendrik Krings in de laag Rauschenwerk zwaar gewond door het plotseling neerstorten van een zogenaamde klok (cloche), een eivormig stuk steen in het dak van een mijngang. Hij overleed korte tijd later aan zijn verwondingen.

Vanaf 1900 liep het aantal ongelukken door de mechanisatie en de intensivering van het mijnbedrijf snel op. Dat gold vooral voor perioden waarin veel nieuwe, onervaren mijnwerkers werden aangenomen. Beknellingen in liftkooien, beklemming tussen mijnwagentjes, ongelukken met gereedschappen en verwondingen door transportbanden waren aan de orde van de dag, vaak met gruwelijke gevolgen. 1919 was voor de Domaniale Mijn het zwartste jaar, toen bij verschillende ongelukken twaalf mijnwerkers omkwamen.

Op 24 december 1910 werd de 27-jarige mijnwerker Johan Evertz uit Kerkrade onder afvallend gesteente gedood. Hij was slachtoffer van de bepaling dat stutten van mijngangen weliswaar verplicht was maar dat de daarvoor benodigde tijd niet in het loon werd uitbetaald. Omdat alleen de geleverde steenkool als maatstaf voor de betaling gold, lieten mijnwerkers het stutwerk in arren moede dikwijls achterwege, met gevaarlijke situaties als gevolg.

Leden van de reddingsbrigade van de Domaniale Mijn doen mee aan het defilé voor de koningin in Amsterdam (1938).

Met de mijnwerkers Somers en Wiertz liep het in 1938 beter af. Rond half vier in de nacht stortte bij de werkzaamheden in een pijler tussen de 380 en de 500 meter verdieping plotseling een groot gedeelte van het dak in. De beide Kerkraadse arbeiders hadden de tegenwoordigheid van geest om snel in een open ruimte te vluchten. Hoewel eerst het ergste werd gevreesd kreeg men bij de reddingspogingen spoedig contact met de opgesloten mannen. Door klopsignalen op de buizen kon men hun positie snel bepalen. De eerste prioriteit van de reddingswerkers was om de luchttoevoer zeker te stellen. Na bijna acht uur zwoegen lukte het de reddingsbrigade om de twee in de loop van de ochtend ongedeerd uit hun benarde positie te bevrijden. Zij konden meteen naar huis om hun in angst levende familie gerust te stellen.

 

Dit soort beademingsapparaten gebruikte men bij reddingsoperaties. Links Draeger Bergbau-Gerät Modell 1924 uit 1925 en rechts Bergbau-Gerät Modell 160 uit 1934. Kijk voor meer informatie op www.therebreathersite.nl.

Roken ondergronds: een doodzonde

Soms waren ongevallen het gevolg van technisch falen, dan weer speelde onvoorzichtigheid of lak aan de veiligheidsvoorschriften een rol. Zoals de ondergronder die in 1963 in een verafgelegen post werd betrapt op roken, een van de zwaarste doodzonden die een mijnwerker kon begaan. Uit onderzoek door het Staatstoezicht op de Mijnen bleek dat in de Domaniale Mijn op grote schaal werd gerookt. Een van de mijnwerkers ging zelfs met een hele voorraad sigaretten naar beneden. Acht leidinggevenden werden op staande voet ontslagen en veertig man kregen disciplinaire straffen. Bovendien moesten zij zich voor de kantonrechter verantwoorden. Op aandringen van de Katholieke Federatie van Mijnwerkers besloot de directie later om de strafmaatregelen wat te verzachten. De ontslagen personeelsleden konden in een lagere functie terugkomen en de straffen van de arbeiders werden opgeheven.

Leidsch Dagblad, 28 september 1963.

Toon Keulen, een van de mijnwerkers die de affaire van dichtbij meemaakte, vertelt zijn verhaal:

"Toen ik in 1962 na drie jaar O.V.S. voor vast ondergronds ging, kwam ik bij het steenwerk terecht. Ik moest me ’s maandags om 8 uur melden bij de opzichter, die mij voorstelde aan de schiethouwer en nog vijf andere kompels. We gingen met een vrachtwagen en munitie naar de nieuwe luchtschacht Baamstraat, waar we 28 meter naar beneden moesten klimmen om een ondersteuning te plaatsen. Met boren en schieten maakten we de kolen en stenen los en voerden die naar boven af. De winter van 1962 / 63 was streng. Het vroor zo’n 20 graden en onder de grond zat alles onder een dikke laag ijs. Bovengronds stond een keet met een kacheltje, waar we ons konden opwarmen. In de schacht was niet veel te doen, want de enorme ijsklompen maakten het werk onmogelijk.

Op een gegeven moment haalde iemand een sigaret tevoorschijn. Het was streng verboden om rookspullen in je mijnwerkerskleren mee te nemen, zelfs geen lucifer. Maar ja, we verveelden ons en er kwam toch nooit iemand controleren. We spraken af om alleen in het keetje te roken. Toen de vorst eenmaal voorbij was ging het roken ondergronds gewoon verder, ook nadat er een verbinding was gemaakt met de Domaniale. De verslaving was zo erg, dat stoppen niet meer mogelijk was.

Na afloop van het karwei aan de Baamstraat werden we overgeplaatst naar een andere plek. Als steenhouwer moest je vaak een af- en aanvoergalerij maken. Meestal zat je dan op een eenzame post en kon je ongemerkt ‘inne sjwame’, vooral in de middag- en nachtdienst. De enkele keer dat er een opzichter kwam, was dat al van verre te zien aan de lamp die hij bij zich had. Als er een andere kompel bij kwam werd er gezegd: "Ik ga even een appeltje eten" en dan ging men een stuk terug. Rookte de nieuweling ook, dan was voor hem de verleiding om mee te kwalmen groot. Kompels die overgeplaatst werden, rookten op hun nieuwe post gewoon verder en zo breidde het roken zich langzaam uit over het hele bedrijf. Via een nieuwkomer die er met een collega van de Laura over sprak, kwam het de mijnpolitie ter ore. Toen waren de rapen gaar!

Op een dag hadden wij de dienst van 12 uur ’s middags. We werden aangehouden bij de schacht en mochten niet afdalen. Iedereen moest zich melden, behalve ik. Ik was namelijk de enige van de groep die niet rookte, maar wel alles vanaf het begin had meegemaakt. Eigenlijk was ik dus mede schuldig maar gelukkig heb ik mij nooit hoeven te melden, ik was de "brave jong". Het is goed dat de directeur later onder druk van de bond de ontslagen heeft ingetrokken, want die kompels hadden anders nooit meer nieuw werk gevonden."

Eigen schuld of domme pech?

In 1915 beging de 26-jarige arbeider H.A. de domheid om zich te laten optrekken in een tussenschacht, die bestemd was voor het vervoer van kolenwagens. Iets wat volgens het mijnreglement streng verboden was. Enige tijd later werd hij met een verbrijzelde hersenpan gevonden. Misschien had hij zijn hoofd buiten de liftkooi gestoken of bij het remmen zijn hoofd tegen het plafond gestoten. Hoe het ook zij, hij moest zijn onvoorzichtigheid met de dood bekopen.

Sommige mijnwerkers hadden gewoon domme pech. Zo kreeg de 57-jarige Duitse mijnwerker Wilhelm Schulz in 1924 een trap van een mijnpaard tegen zijn hoofd. De man werd bewusteloos in het ziekenhuis van Kerkrade opgenomen waar hij een dag later overleed. Op zaterdagmiddag 27 december 1935 ontspoorde een trein, die mijnwerkers terug vervoerde van hun werkpost naar de schacht. Een van de wagens sloeg daarbij om, waarbij de 57-jarige mijnwerker Johan Laarhoven uit de wagendeur viel en bekneld raakte tussen de wagens en de steenwand. De ongelukkige werd op slag gedood. De mijndirectie trok lering uit dit ongeval: vanaf 1950 gebruikte men uitsluitend nog personenwagens met schuifdeuren en geen raampjes, zodat mijnwerkers bij een ontsporing niet meer naar buiten konden vallen.

(Onveilige) Ondergrondse personenwagens van Spoorijzer Delft (1936).

Gedachteniskapel van de mijnwerkers

Op een gedenkmuur naast de Gedachteniskapel van de Mijnwerkers in Landgraaf staan de namen van alle mijnwerkers die in de Limburgse mijnen tijdens hun werk ondergronds zijn omgekomen. De bovengronds verongelukte mijnwerkers staan in de kapel vermeld. De gedachteniskapel is een initiatief van oud-mijnwerker Martin Herbergs uit Simpelveld, die al vanaf 1970 met het idee rondliep om een gedenkplaats in te richten voor zijn verongelukte collega’s. Het gebouwtje was vroeger het lijkenhuisje van de Staatsmijn Wilhelmina. Jaarlijks, begin december rond het feest van St. Barbara, patrones van de mijnwerkers, vindt hier een kleine plechtigheid plaats waar de omgekomen mijnwerkers worden herdacht. Er komen altijd veel oud-mijnwerkers op af.

Een ander initiatief komt van Wim Schoenmaekers uit Heerlen. In de St. Antonius van Paduaparochie in de Heerlense wijk Vrank organiseert hij al jarenlang speciale kompelmissen voor omgekomen mijnwerkers. Elke derde zondag van de maand is er zo’n mis, met telkens speciale aandacht voor één van de elf Limburgse kolenmijnen. De viering is een groot succes. Na een voorzichtige start zitten inmiddels maandelijks gemiddeld honderdvijftig oud-kompels, nabestaanden en andere belangstellenden in de kerkbankjes en het einde van de groei is nog niet in zicht.

Tenslotte heeft ook oudste mijnstad Kerkrade haar monument gekregen. De oud-mijnwerkers hebben er veertig jaar op moeten wachten, maar dankzij de inzet van oud-mijnwerker Hub Schulteis uit Bleijerheide heeft de gemeente in 2010 op het Maria Gorettiplein in Kerkrade een klein gedenkteken geplaatst, waar de Kerkraadse mijn en haar mijnwerkers worden herdacht (zie ook Mijnmonumenten en beelden.

Gedenkmuur bij de Gedachteniskapel van de Mijnwerkers, Landgraaf (foto © Paul Geilenkirchen, 2010).

De 36-jarige bankwerker F.G.H. van der Heijden uit de Julianastraat in Kerkrade was de laatste ondergronder van de Domaniale Mijn die door een ongeluk om het leven kwam. In september 1968 was hij in de liftkoker op de 25 meter verdieping van schacht Beerenbosch aan het werk. Toen hij de kooi wilde verlaten zette de lift zich plotseling in beweging waardoor hij bekneld raakte. Ironisch genoeg vond het ongeval plaats slechts elf maanden voor de definitieve sluiting van de mijn.

Bekijk hier meer foto’s

Koempel in memoriam

De namen van de mannen die op de Domaniale Mijn om het leven kwamen, staan voor eeuwig gebeiteld in de gedenkmuur naast de Gedachteniskapel van de Mijnwerkers in Landgraaf/Terwinselen. De namenlijst van dodelijk verongelukte mijnwerkers staat ook op deze site, als eerbetoon aan de collega’s die stierven in het harnas.


Gerelateerde links:

www.bidprentjesbank.nl
www.therebreathersite.nl

Geraadpleegde bronnen:

- RHCL - plaatsingslijst 17.04.

- Jaarverslagen van de Ingenieur der Mijnen over de jaren 1852 tot 1923.

- J.H. Rademakers - Staatstoezicht op de mijnen 175 jaar, 1810 - 1985. Stein, 1985.

- Diverse kranten.

top
 top