Vrijdag 18 mei 2012
Ode aan de DomanialeEen muzikale mijnwerkerMijnwerker Jo Pauels uit Bleijerheide genoot in de jaren ’70 lokale bekendheid als schrijver, componist en vertolker van populaire carnavalsliedjes. Menige compositie van zijn hand werd tijdens de jaarlijkse Sjlajerparade van de Kirchröatsjer Vasteloavends Verain met een prijs bekroond. Zo wist hij met de liedjes Ja noen lek, noen lek miech dat ens oes, Et sjunste vuur miech en Bis Esjermitwoch respectievelijk in 1972, 1973 en 1981 de eerste prijs in de wacht te slepen. Drie succesnummers uit een reeks van vele, die met carnaval nog steeds regelmatig worden gedraaid. Maar zijn bekendste werkje was toch Mieng Domaniaal, mie kuulsje an de jrens uit 1969. Oorspronkelijk bedoeld als karnavalssjlajer, doch later vooral bekend geworden als ode aan de Domaniale Mijn, het bedrijf waar Pauels tot aan de sluiting in 1969 als ondergronder zijn brood verdiende.
Het Silvesterbal 1939/40 van de Kirchröatsjer Vasteloavends Verain. Vlnr Friets Ploum, Gerard Frantzen, ?? en Lei Buck. Huie ze mer los’se sjtoa die wèsj..Pauels was verknocht aan het mijnbedrijf. Al vanaf zijn prille jeugd werkte hij in de Kerkraadse kolenmijnen, waar hij van eenvoudig sleper opklom tot meester-houwer en dienstdoend opzichter. Net als de andere opzichters had hij een bijnaam, in zijn geval "d’r Amerikaansje sjtiejer" (de Amerikaanse opzichter) vanwege zijn snorretje en flinke roodachtige bakkebaarden. Na de sluiting van de Domaniale Mijn ging hij als overbrugbare naar de Oranje-Nassau mijn I in Heerlen, eerst in de kolenwasserij en later als administratieve kracht in de kolenverlading bij het spoorbedrijf. De sluiting van de Domaniale Mijn bracht hem ertoe Mieng Domaniaal te componeren, een ballade over het oude kolenmijntje aan de grens, waar de Kerkraadse kompels eeuwenlang lief en leed hebben gedeeld en dat nu voorgoed haar poorten moet sluiten.
De schlager werd in 1981 in de Marlstone studio’s in Maastricht opgenomen en daarna op 45-toeren plaat uitgebracht. Pauels zong het lied zelf, met zijn hese, door het kolenstof verweerde stem. Aan de opname is nog een extra couplet toegevoegd: "Huie ze mer los’se sjtoa die wèsj en och d’r sjaat, doe huits weë wees dan werm os Kirchroa jroeës jemaat", zo luidt het laatste refrein in onvervalst Kerkraads dialect. Nostalgie van de bovenste plank. Schachtenvuller en schrotverkoperDe prent bij de originele tekst toont op ludieke wijze de toekomstige carrière van enkele ‘hoge heren’ van de Domaniale Mijn. De schetsen werden gemaakt door mijningenieur Hub Boesten tijdens de meester-houweravond op 18 januari 1969. Op de tekening zien we o.a. meester-opzichter Vandermullen als schachtenvuller, directeur Fokker met een grote zak met geld, mijningenieur Boesten als WW-drukker en meester-opzichter Wiertz op de vlucht als Richard Kimble.
Boesten kwam na de mijnsluiting in de drukkerswereld terecht waar hij opklom tot technisch directeur van de VNU Dagbladengroep te Nijmegen. In eerste instantie leek daarmee een tekentalent verloren te zijn gegaan maar uiteindelijk is het toch allemaal goed gekomen. Lees meer daarover in het artikel "Hub Boesten, kunstschilder" op deze site. Vijftig jaar Roda ZangersIn 2001 verscheen een nieuwe release van Mieng Domaniaal, gezongen door de Roda Zangers in een arrangement van Chris Herwegh. Dit oer-Kerkraadse gelegenheidsensemble ontstond in 1956 uit een afsplitsing van een paar leden van het kerkelijk zangkoor St. Lambertus. Na een korte periode van naamloze optredens werden ze ooit aangekondigd als "De Roda Zangers" en sindsdien zijn ze die naam altijd blijven gebruiken. Bekende mannen van het eerste uur waren o.a. Jo Jeha, Bruno Scholl en Math. Finders. Jarenlang traden ze op bij allerlei carnavalsavonden, zowel in Kerkrade als in de verre omstreken. Ook waren ze graag geziene gasten op feesten en partijen. Lag de nadruk in eerste instantie op de pure carnavalsslajer, in de loop der jaren verschoof het muzikale accent langzaam maar zeker naar het nostalgische levenslied. Bij het zilveren bestaansfeest werden de Roda Zangers door de Samenwerkende Limburgse Carnavalsverenigingen (SLV) onderscheiden met de Zilveren Buut, hetgeen een grote eer was voor de groep.
In de jaren ’90 werd het een tijdje stil rond de groep, hetgeen niet betekende dat ze er niet meer waren. In 2001 maakten de Roda Zangers een come-back met de uitgave van de CD "Doa bin iech heem", twee jaar later gevolgd door "Sjtoots op Limburg". De groep bestond op dat moment uit Bruno Scholl, Karl-Heinz Fuchs, Jan Beckers, Chris Herwegh, H. Storms en J. Viehoff. Na hun revival begin jaren 2000 boekten de Roda Zengere veel succes met hun optredens op straatmarkten, in bejaarden- en ziekenhuizen, carnavalsoptochten, Mondo Verde en noem maar op. Een van hun laatste nummers was het carnavalslied van 2006 Noen is vasteloavend doa. Tijdens de St. Barbaraviering op 4 december 2006 luisterden de zangers de dialectmis in de parochiekerk van Terwinselen op, waarbij ze o.a. het bekende mijnwerkerslied Glück Auf, der Steiger kommt ten gehore brachten. Niemand wist toen nog dat dit een van hun laatste optredens zou worden. In mei 2007 viel de groep uiteen, waarmee definitief een eind kwam aan (bijna) een halve eeuw schlagerhistorie in Kerkrade.
Graag zou ik de muziek van Pauels hier laten horen maar helaas kan dat niet vanwege de auteursrechten. Ik vrees ook dat de single en de CD nergens meer te koop zijn. Spijtig voor de muziekliefhebber maar het is niet anders. Geraadpleegde bronnen: - Oranje Nassaupost februari 1973. - Eigen archief. |
|
||||||||||||||||