Vrijdag 18 mei 2012

Bij de mijnmeters

door Martin Schlösser, oud mijnbouwkundig opzichter van de Staatsmijn Emma

Op 16 april 1955 vierde Willem Schlösser zijn gouden dienstjubileum op de Domaniale Mijn. In die halve eeuw klom hij op van eenvoudig sleper tot chef van de mijnmeterij. Zijn zoon Martin haalt in dit artikel enkele herinneringen op aan zijn vader. Een hommage aan de rekenmeesters die gewapend met kompas, gradenboog en passer de mijngangen in kaart brachten.

Van sleper tot chef van de mijnmeters

Wilhelm Martin Schlösser
(1889-1970)

Een halve eeuw werken voor dezelfde baas, dat is iets wat je tegenwoordig nog maar zelden tegenkomt. Vaarsjtiejer Willem Martin Schlösser - bij collega’s beter bekend als d’r Wiesse - maakte dat in 1955 waar. Op 16 april van dat jaar vierde hij thuis aan de Rolduckerstraat 8 in Kerkrade zijn gouden dienstjubileum op de Domaniale Mijn. In die vijftig jaren maakte hij van dichtbij de ontwikkeling mee van een technisch primitief bedrijf naar een moderne steenkolenmijn.

Op 16 april 1905 begon hij als sleper, onderaan de ladder van het mijnbedrijf. Na drie jaar verhuisde hij naar de tekenkamer. In die tijd maakte de mijn voor metingen gebruik van de diensten van Markscheider Adrian in Aken, maar toen deze in 1916 onder de wapenen werd geroepen besloot de directie een eigen afdeling mijnmeterij op te richten. Schlösser kon daar op 1 januari 1917 meteen aan de slag als hulpmijnmeter. Het meet- en rekenwerk beviel hem prima en door zelfstudie wist hij via mijnmeter op te klimmen tot chef van de ondergrondse metingen. In 1946 ging hij naar het bovengronds bedrijf, waar hij chef werd van de Dienst Bovengrondse Metingen en Mijnschade. Onder zijn leiding werden in 1921 en 1925 de schachten Beerenbosch II en Willem II afgediept. Daarvoor moest hij vaak met de schachtton afdalen in de honderden meters diepe schacht, om gewapend met zijn statief ingewikkelde metingen te doen. Ook was hij nauw betrokken bij de ontsluiting van nieuwe kolenlagen.

In zijn vrije tijd speelde hij trompet in de Bergkapel, totdat directeur Wilhelm Husmann dat niet meer vond passen bij zijn functie. Daarnaast had hij zijn hobby’s: het bouwen van gitaren en (hoe kan het anders!) tekenen. In menig Kerkraads woonhuis hangt zo’n prachtige oorkonde die hij voor jubilerende collega’s maakte. Op 1 mei 1955 ging hij met pensioen.

Een schachtton op de bodem van schacht Willem II (collectie Cor Hoekstra).

De Franse Mijnwet van 1810

De oorsprong van de moderne mijnmeterij ligt feitelijk bij de Franse Mijnwet van 1810. Deze wet gaat uit van het principe dat de Staat eigenaar is van de delfstoffen onder haar bodem en dat het recht van ontginning moet worden verkregen via een concessie. De Mijnwet is nog steeds van kracht, zij het dat zij in de loop der jaren is aangevuld met nadere regelingen. In de Mijnwet werd het toezicht opgedragen aan de ‘Administration des Mines’, de voorloper van het huidige Staatstoezicht op de Mijnen.

De markscheider werkt de metingen uit aan de tekentafel (Blegny Mine).

De invoering van de Mijnwet had tot gevolg dat alle ondergrondse en bovengrondse werken zorgvuldig in kaart moesten worden gebracht. Tot het begin van de twintigste eeuw had niet elke mijn haar eigen mijnmeterij, meestal had één mijnmeter (‘de markscheider’) meerdere mijnen onder zijn hoede. Aspirant-mijnmeters konden bij hem examen doen en bij gebleken geschiktheid volgde dan de aanstelling tot mijnmeter. Met het toenemen van de complexiteit in de moderne mijnbouw ontstond zo’n uitgebreid scala aan taken, dat het niet meer door één man te behappen was. Binnen de mijnbedrijven werden afdelingen mijnmeten opgericht met daarin specialisten op diverse terreinen. Zo onderscheidde men bijvoorbeeld mijnmeters, helpers bij de opmetingen, materiaalhulpen en tekenaars.

De opleiding vond veelal plaats binnen het eigen bedrijf. In 1915 startte op de Mijnschool in Heerlen de opleiding voor ‘hulpmijnmeter’, in eerste instantie alleen voor personeel van de Staatsmijnen. Pas in 1937 werd de opleiding ‘opzichter bij de opmetingen’ in het leven geroepen. Het was geen reguliere opleiding, de cursus werd alleen gegeven als de mijnen daar behoefte aan hadden. In totaal leverde de Mijnschool in de loop der jaren 151 mijnmeters af.

Detail van een kaart van de laag Steenknip uit 1895.

De mijnmeterij van de Domaniale mijn

Oorsponkelijk kende de Domaniale Mijn één afdeling mijnmeten voor zowel onder- als bovengronds. In 1946 werd de afdeling gesplitst in de Dienst Ondergrondse Metingen en de Dienst Bovengrondse Metingen en Mijnschades. Laatstgenoemde dienst werkte nauw samen met het Bouwbedrijf. De chefs van deze diensten waren resp. Cor Hoekstra, Willem Schlösser en ‘bouwpastoor’ Jozef Handels.

Wat was nu het werk van de mijnmeters? Zoals gezegd betrof dat een heel scala aan taken, die allemaal te maken hadden met het thema "meten is weten". Men moest bijvoorbeeld pijlers inmeten in de kolenlagen, het gangenstelsel in kaart brengen, controleren dat bij het drijven van galerijen de juiste helling werd gedreven en storingen in kaart brengen die later kolenlagen konden snijden en waarbij met de planning van de pijlers rekening gehouden moest worden. Kortom: de afdeling mijnmeten hield een groot logboek bij van alles wat er in de mijn gebeurde. Op deze mijnplannen kon de bedrijfsleiding haar ontginningspolitiek baseren. In het verleden is dit door de abten van Rolduc niet gebeurd, wat bij de ontginning van de kolenvelden van de Domaniale tot veel economische schade heeft geleid.

De jonge tekenaar Jan Goebbels bezig met het intekenen van een pijlermeting van laag Finefrau C met behulp van schaallat, transporteur en steekpasser (1966)

Bekijk meer foto’s van de mijnmeters

Bijzondere opdrachten

Tussen 1900 en 1920 werd de mijnmeterij met twee bijzondere opdrachten opgezadeld. De eerste taak was het in kaart brengen van de oude werken van de abdij Kloosterrade, het tegenwoordige Rolduc. De mannen moesten daarvoor aangelijnd aan een touw en met gevaar voor eigen leven in oude galerijen en kanalen afdalen om daar punten in te meten en afstanden te bepalen. Een helse klus, in gangetjes van soms maar enkele tientallen centimeters hoog.

Deze houten pomp werd in 1923 aangetroffen in de oude werken van de abdijmijnen

Op hun ondergrondse ontdekkingstocht troffen zij veel oude gereedschappen, mijnlampen en andere bijzondere voorwerpen aan. De meest spectaculaire vondst was wel een houten pomp die de abdij Kloosterrade rond 1752 in het Wormdal had geïnstalleerd om het grote probleem van de watertoevloed in de mijn de baas te worden. Dit pompsysteem bestond uit holle boomstammen die volgens het mannetje-vrouwtje systeem met elkaar waren verbonden. De pomp werd boven op het maaiveld aangedreven door vier paarden die in een tredmolen liepen, de zgn. Rosskunst. Een Kunstkreuz zette de horizontale beweging van de aandrijving om in een verticale.

Een andere bijzondere vondst deden de mijnmeters in 1910 toen ze een ‘oude hond’ aantroffen, een houten slede met daarop een mand gevlochten uit wilgentakken. Toen men in de 16e eeuw via schachtjes en galerijen in het kolenveld doordrong speelde de kolenslede een grote rol bij het vervoer van steenkool. Schleppers brachten zo de gedolven kolen naar de uitgang van de afbouwgalerij waar ze werden overgeladen in karren en kruiwagens. De gangen waren vaak zo laag dat de slede alleen kruipend kon worden vervoerd.

De Domaniale Mijn schonk de gevonden voorwerpen begin jaren vijftig aan het museum Ehrenstein in Kerkrade, waar conservator Houppermans jarenlang de scepter zwaaide. In 1974 verhuisden zij naar het Mijnmuseum Rolduc en in 1994 naar het Industrion (tegenwoordig Continium), waar ze - voor zover bekend - zijn opgeslagen in het depot.

De scheve schoorsteen

De andere opdracht was het rechtzetten van de ‘scheefgegroeide’ schoorsteen van het ketelhuis. Die dreigde in de jaren ’20 om te vallen, wat ongetwijfeld grote schade zou hebben veroorzaakt. Het rechtzetten gebeurde met mathematische precisie. De mijnmeters projecteerden de schoorsteen eerst op de grond waardoor ze nauwkeurig de knik in de schoorsteen konden bepalen. Door nu dit punt weer terug te projecteren op de schoorsteen konden ze precies de plaats bepalen waar de correctie moest beginnen.

Het werk werd uitgevoerd door een gerenommeerde schoorsteenbouwer in samenwerking met de afdeling Mijnmeten. Het voert te ver om hier alle details te beschrijven, maar in het kort kwam het erop neer dat de buitenste gemetselde ring stenen werd vervangen door houten wiggen en men de tweede ring door het loszetten van de wiggen liet breken op het punt van de knik.

De mijnmeters hebben toen waarschijnlijk slapeloze nachten gehad want de bedrijfsleiding had hen persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor de goede gang van zaken. Het werk was voor die tijd zo spectaculair dat de map met documenten over dit project uit het archief is verdwenen en nooit meer boven water is gekomen!

Aan het dak van de hoofdsteengang hangen vizierdraden voor het hangen van de richting en hoogterichting door de mijnmeters (Steenkolenmijn Valkenburg).

Onder Duits grondgebied

Het concessiegebied van de Domaniale Mijn besloeg een oppervlakte van 690 ha (in 1960 uitgebreid met 85 ha van de concessie Neuprick) waarvan 173 ha onder Duits grondgebied lag. Door de afbouw van de kolenlagen onder Duits gebied ontstonden soms verzakkingen onder de spoorlijn van Herzogenrath naar Aken, die dwars over de concessie liep. De Domaniale Mijn moest het basalt leveren om de verzakkingen te herstellen. De Deutsche Reichsbahn stond ook regelmatig met hoge schadeclaims op de stoep. Om die claims zoveel mogelijk te beperken werd een samenwerkingsverband aangegaan met Prof. Kappes van de Technische Hochschule in Aken, die expert was op het gebied van gesteentebewegingen in de mijnbouw.

De meeste ‘gevechten’ werden voor de rechtbank in Aken uitgevochten en de mijnmeters moesten zich speciaal bekwamen om de harde confrontaties met de advocaten van de tegenpartij aan te kunnen. Niet iedereen was hiertegen bestand, reden waarom Willem Schlösser bij zijn pensionering van de mijndirectie het verzoek kreeg om nog een paar jaar aan te blijven. Op deze manier zijn heel wat hoge schadebedragen omlaag geschroefd of zelfs tot nul gereduceerd.

De mijnmeters en de Tweede Wereldoorlog

Tijdens de oorlog was een speciale Ausweiss van het Duitse opperbevel nodig om bij het tracé van de Deutsche Reichsbahn metingen uit te voeren, vooral in de periode dat daar de Siegfriedlinie werd aangelegd. Het project was zo geheim dat de Duitsers het hele gebied rond de linie tot ‘Sperrgebiet’ hadden verklaard en de mijnmeters slechts met toestemming van de allerhoogste instanties hier hun werkzaamheden mochten verrichten.

Restanten van de Siegfriedlinie in het Wormdal bij Kohlscheid.

Het Ondergronds Verzet maakte handig gebruik van deze vergunning door de mijnmeters te vragen de bunkers, die boven het concessiegebied lagen, in kaart te brengen. Vlak voor september 1944, toen de Geallieerden met rasse schreden Limburg naderden, kwam de vraag om eens te kijken wat er in de bunkers stond. Ondanks gevaar voor eigen leven voldeden de mijnmeters ook aan dit verzoek. Gelukkig waren de bunkers leeg want de Duitsers hadden geen tijd gehad om ze te bemannen, noch hadden ze het juiste materieel voorhanden. Het behoeft natuurlijk geen betoog dat slechts een klein aantal mensen van deze activiteiten op de hoogte was.

De chef van de mijnmeterij werd - zoals bijna alle inwoners van Kerkrade - op 25 september 1944 geëvacueerd en kwam daarbij in Wijlré terecht. Daar kwam op zekere dag een hoge Amerikaanse officier van het hoofdkwartier in Gulpen de kaarten ophalen, waarbij de chef in kwestie de opdracht kreeg mee te gaan om ze mondeling toe te lichten. Bij deze gelegenheid werden ook de mogelijkheden besproken om op een andere manier dan door de twee tunnels in De Ham, in het centrum van Kerkrade te komen. Dit zou er weleens toe geleid kunnen hebben dat Kerkrade een grotere oorlogsschade bespaard gebleven is.

De kaartenkamer van de mijnmeters heeft nog een rol gespeeld in het bespioneren van de Duitse verdedigingsactiviteiten in Kerkrade. De Duitsers hadden een mobiel kanon achtergelaten, dat een zwervend bestaan leed. Het reed naar een bepaalde positie, vuurde enkele salvo’s af en ging dan weer in dekking. Dit stuk geschut werd gevolgd door mensen van het Verzet. De positie werd vervolgens via de kaartenkamer van de Domaniale doorgegeven aan de kaartenkamer van de Willem-Sophia te Spekholzerheide, die via een ondergrondse telefoonleiding met elkaar in verbinding stonden. De Amerikanen kregen de coördinaten voor hun artillerie door en namen de tank onder vuur. De Duitsers hadden al snel in de gaten dat er verraad in het spel was en deelden de nog aanwezige autoriteiten mee dat er snel een einde moest komen aan deze praktijken. Zo niet, dan zouden er gijzelaars genomen worden en deze zouden standrechtelijk doodgeschoten worden. Men is er toen snel mee gestopt.

Mijnschade

Ongeveer driekwart van het concessiegebied lag onder het grondgebied van de gemeente Kerkrade. Wie van plan was een huis te bouwen, kon bij de Dienst Bovengrondse Metingen en Mijnschade informatie krijgen over toekomstige mijnbouwkundige activiteiten onder het betreffende kavel. Men kon daar dan rekening mee houden door bijvoorbeeld een versterkte fundatie onder het huis te laten aanbrengen.

Huis met ernstige mijnschade aan de Nieuwstraat

Door mijnschade zakte in 1958 een vuilnisauto door het asfalt


Vooral in de jaren twintig en dertig was mijnschade in Kerkrade aan de orde van de dag. In Chèvremont en op Bleijerheide werden hele huizenrijen door scheuren in muren en verzakkingen onbewoonbaar. Meestal kocht de mijn ze op, om ze vervolgens te slopen.

Om de vele claims van mijnschade een beetje in te perken veranderde de Domaniale Mijn in de jaren ’50 haar afbouwmethode. Liet men eerst het ontkoolde pand instorten nadat de pijlerondersteuning was ‘geroofd’, nu vulde men de ‘oude man’ op met blaasstenen. Een kostbare en tijdrovende bezigheid. Desondanks kwamen er aan het maaiveld behoorlijk vaak grondverzakkingen voor, waardoor aanzienlijke schade aan huizen en gebouwen ontstond.

Genummerde bouten in de gevels

Er waren natuurlijk huiseigenaren die er een slaatje uit probeerden te slaan door bij de geringste schade aan de bel te trekken om een vergoeding te eisen. Vaak had men weinig of geen onderhoud aan het pand gepleegd en werd gemakshalve alles maar onder de noemer ‘mijnschade’ gebracht. Om over zakelijke en goed gefundeerde tegenargumenten te kunnen beschikken voerden de mijnmeters een speciaal meetsysteem in.

Genummerde bouten in de gevel om de scheefstand te meten (foto © Paul Geilenkirchen, 2008)

De huizen en panden in het afbouwgebied werden voorzien van genummerde bouten, die meestal aan de voorgevel werden aangebracht. D.m.v. waterpassing werden deze bouten periodiek gemeten, zodat men na verloop van tijd een aardig beeld kreeg van de verzakking van de bodem waarmee men eventuele handige jongens van repliek kon dienen. Was de schadeclaim terecht, dan kwam het eigen bouwbedrijf van de Domaniale Mijn in actie en werd de schade hersteld. Nu nog zijn deze bouten aan de oudere huizen in het centrum van Kerkrade te zien!


Tip: lees ook het artikel "Ondergronds leeft het mijnverleden voort" over mijnschade en de gevolgen daarvan.


Geraadpleegde bronnen:

- Dr. W. Gierlichs - Over de mijnbouw der abdij Kloosterrade.

- Tijdschrift Steenkool, oktober 1948 en april 1953.

- Weekblad De Zuid-Limburger, 14 april 1955.

- 60 Jaar Mijnschool Heerlen 1913- 1973.

top
 top