Vrijdag 18 mei 2012
"Doa hant de Pruuse mieng koel e brand jestòche!"Waar een donateurskaart van de carnavalsvereniging al niet goed voor kan zijnDe carnavalsvereniging van Kerkrade, d’r Kirchröatsjer Vasteloavends Verain, werd in 1936 opgericht. Toen de Duitsers in 1940 Nederland de oorlog verklaarden en Kerkrade als een van de eerste steden van Nederland binnenvielen, was het uit met de carnavalspret. Er mocht geen carnaval meer gevierd worden in Nederland. De nog jonge carnavalsvereniging wilde de carnavalsgeest onder de Kerkraadse bevolking niet verloren laten gaan en gaf daarom ieder jaar een donateurskaart uit. De kleur van die kaart was, om begrijpelijke reden, oranje(!). In 1943 was de aanleg van de Siegfriedlinie gevorderd tot bij Kohlscheid. Die linie bestond uit een keten van aaneengeschakelde verdedigingswerken, zoals zware bunkers en zogenaamde asperges, betonnen tankversperringen in de vorm van kegels. Deze laatste waren bedoeld om tanks te stoppen en ze vervolgens te kunnen vernietigen. Het tracé van de Siegfriedlinie liep net als de spoorlijn van Alsdorf naar Aken gedeeltelijk over het concessiegebied van de Domaniale Mijn. Door de kolenwinning in het gebied had de spoorlijn regelmatig met verzakkingen te maken. Het was de taak van de mijnmeters van de Domaniale om deze verzakking te registreren en in kaart te brengen. Dit was vooral nodig om de schadevergoeding met de Deutsche Reichsbahn te regelen, want deze laatste instantie diende regelmatig schadeclaims in bij de mijn. ![]() Tankversperring bij Kohlscheid (foto: © Paul Geilenkirchen, 2007) Ook tijdens de aanleg van de Siegfriedlinie moest de spoorbaan op gezette tijden opgehoogd worden. De Duitsers waren bang voor spionage en sabotage en hadden het tracé daarom tot ‘Sperrgebiet’ verklaard: een gebied dat alleen met een speciale vergunning mocht worden betreden. Als iemand zonder speciale legitimatiekaart in het gebied werd aangetroffen, bestond de kans dat hij standrechtelijk werd doodgeschoten. Nu hadden de Duitsers heel toevallig voor die kaart ook de kleur oranje gekozen. Mijn vader, chef mijnmeters Wilhelm Schlösser, was verantwoordelijk voor de opmeting en de onderhandelingen met de Deutsche Reichsbahn. Op zekere dag had hij met de aannemer, die de werkzaamheden moest uitvoeren, een werkbespreking op het tracé. Plotseling kwam een officier van de bewaking op hun af en vroeg naar hun legitimatie. De directeur van de bouwfirma haalde zijn portefeuille uit zijn jas en gaf zijn kaart aan de officier. Mijn vader had zijn legitimatie echter in de la van zijn bureau laten liggen en realiseerde zich dat zijn laatste uur wel eens geslagen kon hebben als er geen wonder zou gebeuren. Nu had hij net de jaarlijkse bijdrage aan de carnavalsvereniging betaald en de kaart in zijn portefeuille gestopt. Een beetje verward pakte mijn vader zijn portefeuille uit zijn binnenzak, waar de oranje donateurskaart nog half uitstak. De Duitse officier, die blijkbaar nogal haast had, zag de oranje kaart en zei: "Es ist schon gut..." salueerde en verdween. Zo zie je waar een donateurskaart van de carnavalsvereniging niet goed voor kan zijn. De dag dat mijn vader huildeZondag 17 september 1944 was een mooie, heldere dag. De Amerikaanse troepen naderden in hoog tempo de zuidelijke Nederlanden en iedereen hoopte dat de bevrijding er spoedig aankwam. In Kerkrade was het rustig. De meeste mensen waren naar de kerk om de hoogmis bij te wonen. Niets wees erop dat Kerkrade spoedig de oorlog van heel dichtbij zou beleven. Zelf liep ik wat om het huis en was me eigenlijk aan het vervelen. Instinctief voelde ik een zekere dreiging van oorlogsgeweld en iets vertelde mij, dat ik niet te ver van huis moest gaan. Ik was acht jaar, de laatste twee jaar had ik al een hoop oorlogsgeluiden gehoord en ik kon het brommen van een automotor heel goed onderscheiden van een vliegtuigmotor. ![]() De achterzijde van het huis aan de Rolduckerstraat (1934) Opeens kwam er een diep grommend geluid uit de richting van de Holz. De nieuwsgierigheid won het van mijn angst en ik rende van ons huis aan de Rolduckerstraat naar de hoek van de Oranjestraat. Eerlijk gezegd durfde ik niet verder de Oranjestraat in te gaan en bleef maar op de hoek staan. Lang hoefde ik mijn nieuwsgierigheid niet te bedwingen, want opeens verscheen een Duitse tank op de hoek van de Hoofdstraat en de Oranjestraat. De tank draaide de Oranjestraat in, gevolgd door een tweede tank en nog een en nog een... In totaal waren het er zes of zeven. Een van de tanks leek een beetje ‘kreupel’ te zijn door problemen met de rupsband.
Blijkbaar was de tankcommandant op zoek naar een natuurlijke camouflage voor zijn tanks. De Oranjestraat en het Oranjeplein waren destijds voorzien van jonge aanplant en de tankcommandant vond hier dan ook de perfecte natuurlijke camouflage. Hij stuurde de eerste tanks naar het Oranjeplein waar ze bescherming zochten onder de bomen. Daarbij beschadigde de tracks van de tanks het asfalt van het Oranjeplein. Vervolgens schampten ze langs de boomstammen. Die beschadigingen zijn na de oorlog nog lang zichtbaar geweest. De tanks in de Oranjestraat deden hetzelfde en nadat de motoren waren afgezet, viel er een serene rust over het plein. ![]() Chef mijnmeters Wilhelm Schlösser bij zijn bijenkasten in de tuin in rustiger tijden (1934) Het zoeken naar beschutting was geen ogenblik te vroeg geweest, want er verscheen een Piper Cub van de artilleriewaarneming van de oprukkende Amerikanen. Tot groot geluk van de Duitsers (en van de stad Kerkrade) werden de tanks niet ontdekt. Na een half uurtje begonnen opeens de radio’s te kraken. Er volgden bevelen, de motoren werden gestart en de tanks kwamen in beweging. In volle vaart reden ze weer richting Holz naar Duitsland. Waarschijnlijk vormde de defecte tank toch een te grote handicap, zodat de Duitsers besloten deze op de Holzstraat achter te laten. Om hem niet als oorlogsbuit in handen te laten vallen van de Amerikanen werd de tank ter plekke in brand gestoken. Gelukkig voor de Holzstraat en zijn bewoners hadden de Duitsers al eerder besloten alle munitie te verwijderen, zodat alleen de achtergebleven dieselolie brandde. De brand ging gepaard met een flinke, zwarte rookontwikkeling. Nog lang na de oorlog waren de omliggende huizen zwartgeblakerd door deze rookwolk. ![]() De achtergelaten tank van de Duitsers was een Mark 4 of een zogenaamde Jagdpantser. De man voor de tank is Wiel Simons uit de Fabritiusstraat op de Holz (1944) Intussen had mijn zus mij in het nekvel gegrepen en veilig in onze bomveilige kelder opgeborgen. Alleen vader stond, zoals gewoonlijk als er luchtalarm of een andere dreiging was, in het zomerhuisje in de tuin uit te kijken of er gevaar voor zijn gezin dreigde. De brandende tank stond precies op de denkbeeldige lijn tussen ons huis en de Domaniale Mijn. De gitzwarte roetwolk van de brandende tank onttrok de mijngebouwen helemaal aan het zicht, zodat mijn vader de indruk kreeg dat het bedrijf in brand stond. Huilend kwam hij de kelder in en zei: "Doa hant de Pruuse mieng koel e brand jestòche!" (vert: daar hebben de Duitsers mijn kolenmijn in brand gestoken). Aanvankelijk was de verslagenheid groot. Bijna iedereen in de kelder had het er moeilijk mee dat ‘os kuulsje’ was geraakt. Toen nog geen dag later de ware toedracht bekend werd, was de opluchting begrijpelijkerwijs groot. De tank heeft er maandenlang gestaan. Op een gegeven moment stond de tank in de weg, want de Red Ball Express (de aan- en afvoertroepen van de Amerikanen) gebruikten de Holzstraat als aanvoerroute voor de troepen in Duitsland. Ook wilde men de tramlijn Heerlen-Kerkrade weer in gebruik nemen. Men heeft de tank toen verplaatst naar de Nummer-II straat, waar hij nog lang heeft gestaan, dit tot groot vermaak van de jeugd. ![]() Oorlogsleed in Kerkrade. Uit het dagboek van Jacques Heetman (Dagblad Veritas, 27 september 1944) |
|
|||