Zondag 5 februari 2012
Een krantenbericht uit 1927Tot begin vorige eeuw was het voor de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij nauwelijks interessant om in de domaniale mijnen te investeren. De oude pachtwet van 19 juni 1845 verplichtte de exploitant een flink deel van de inkomsten aan ’s Lands schatkist af te dragen, zelfs wanneer er verlies werd geleden. Pas in 1925 kwam na jarenlange onderhandelingen een nieuwe overeenkomst met de Staat tot stand, die zorgde voor wat meer evenwichtige financiële verhoudingen. Naar een modern bedrijfDe pachtovereenkomst van 1925 maakte het voor de nieuwe concessiehouder - de Rotterdamse ondernemer Willem van der Vorm - weer aantrekkelijk om kapitaal in de onderneming te steken. In een poging de kostprijs te verlagen en tegelijk de productie op te voeren, onderging het sterk verouderde mijnbedrijf tussen 1924 en 1929 een ingrijpende modernisering. De werkzaamheden verliepen zo voorspoedig dat de geplande jaarproductie van 750.000 ton al na twee jaar werd bereikt, doch intussen hadden zich alweer nieuwe problemen aangediend. Door de hevige concurrentie op de internationale kolenmarkt - met name voor industriekolen - stagneerde de afzet sterk en namen de onverkoopbare voorraden snel toe.
Voorpagina van de Limburger Koerier van 5 oktober 1927 De directie wist dat publiciteit een machtig wapen was in de strijd met de concurrenten. Persberichten gingen de wereld rond en journalisten werden uitgenodigd om het gloednieuwe bedrijf te komen bezichtigen. Verschillende Nederlandse en Duitse kranten schonken op hun voorpagina aandacht aan de nieuwe werken op de Domaniale Mijn. Op de wereldtentoonstelling van 1930 te Luik was de mijn zelfs met een eigen stand vertegenwoordigd. Onderstaand krantenbericht is een compilatie van een aantal artikelen uit de Maastrichtse Limburger Koerier van 1927, aangevuld met eigen archiefonderzoek. De tekst is hier en daar aangepast aan de moderne spelling. ![]() Oud en nieuw
Directeur W. Husmann De Domaniale Steenkolenmijnen te Kerkrade, gelegen aan de zelfkant van het Koninkrijk der Nederlanden, hebben een ontginningsveld ter grootte van 690 ha, waarvan 173 ha onder Duits grondgebied gelegen zijn. De mijn beschikte tot voor korte tijd over drie schachten, namelijk de uitdelvingsschacht Willem die reeds honderd jaren oud is, schacht Nulland en schacht Beerenbosch, welke laatste in het afgelopen jaar is afgediept van 280 m tot 380 m. Steenkolenontginning heeft momenteel plaats op de 200, 260, 280 en 380 meter-verdieping. De dagelijkse productie bedraagt gemiddeld 5000 mijnwagens van ca. 600 kg oftewel 3000 ton steenkool. In het bedrijf zijn 2916 arbeiders werkzaam. Met grote voortvarendheid zijn de laatste twee jaren, naar een vastgesteld plan, systematisch en praktisch onder- en bovengrondse werken aangelegd. De kosten van deze modernisering zijn begroot op ruim 4,7 miljoen gulden. De reusachtige uitbreidingen zijn wel voornamelijk te danken aan Directeur Wilhelm Husmann, die reeds vanaf 1906 de technische leiding heeft over het bedrijf. Bij de voorbereiding en uitvoering der ondergrondse werken speelden eveneens bedrijfsinspecteur Nic. Jos. Nievelstein en mijnmeter W. M. Schlösser uit Kerkrade een belangrijke rol. De mijn, die bekend is om haar prima magerkolen (antraciet), is zodanig gemoderniseerd dat het wel de moeite waard is aan deze nieuwe, grotendeels gereedgekomen en ingebruikgenomen werken enige aandacht te schenken. Met toestemming van de Directie hebben wij dezer dagen onder deskundige en technische voorlichting een langdurig bezoek mogen brengen aan de bovengrondse werken der mijn, het eerste bezoek dat een journalist tijdens en na de verbouwingen was toegestaan. Het ligt niet in onze bedoeling een uitgebreid overzicht te geven van alles wat wij zagen en hoorden. Dan zouden wij het raam van een dagbladartikel bedenkelijk overschrijden. Wij zullen daarom slechts enkele markante bijzonderheden mededelen, die evenwel voldoende illustreren dat het er de Directie van de Domaniale Mijnen om te doen is een technisch hoogstaand bedrijf te scheppen dat door de meest moderne wijze van kolenwinning de productie concurrerend op de wereld-kolenmarkt tracht te werpen en waarbij de kostprijs der ton steenkool zoveel mogelijk als doenlijk gedrukt wordt. De nieuwe schacht WillemOp de eerste plaats vraagt wel aandacht de nieuwe, 50 m hoge ijzeren schachtbok Willem II en het schachtgebouw van gewapend beton, gelegen nabij de Nieuwstraat te Kerkrade. Wie boven op dat reuzengevaarte staat, kijkt in de oude 42 m hoge vierkante schoorstenen die in zijn onmiddellijke nabijheid staan. Hoog boven in de schacht bevinden zich de twee enorme leidwielen met een diameter van 5 à 6 m, waarover de kabels lopen waaraan de liftkooien zijn opgehangen. De schachtbok is een knap stuk werk, technisch en zeldzaam ook in ons land vanwege zijn constructie en afmetingen.
Geheelaanzicht schachtbok met schachthal en ophaalmachinehuizen (1930) De werkzaamheden voor het afdiepen van de nieuwe, 380 m diepe schacht zijn in juni 1925 aangevangen. Met behulp van een zinkschacht werd het dekterrein, bestaande uit zand, kiezel en klei, doorsneden, waarna bij 42 m diepte de steenkoolrots werd bereikt. Na een moeizame arbeid van twee jaren is de schacht, ondanks een kleine tegenspoed in het begin, toen een instorting plaats had die gelukkig alleen materiële schade veroorzaakte, toch op de vastgestelde tijd gereedgekomen. Het is een z.g. dubbele schacht, bevattende twee vervoerafdelingen waarvan er één sinds 1 augustus reeds in gebruik is. Vermeldenswaardig is wel, wellicht een unicum in de mijnbouw, dat de afdieping der schacht met een doorsnede van 6 à 7 m, geheel met eigen krachten geschiedde. De in gebruik genomen afdeling doet reeds dienst voor het ophalen van steenkolen en het vervoer van mijnwerkers. De schacht zal in de komende maanden verder tot 500 m worden afgediept. Op dit moment (september 1927) bedraagt de diepte reeds 419,60 m. Het zal nog wel enige maanden duren alvorens de grote ophaalmachine - vermogen 1400 pk - gereed is voor gebruik.
De ophaalmachine van schacht Willem IIa werd in 1903 gebouwd door de Friedrich Wilhelms-Hütte in Mülheim an der Ruhr. De nieuwe kooien bevatten vier afdelingen. In elke afdeling kunnen zestien man plaatsnemen, zodat telkens 128 mijnwerkers in de mijn kunnen afdalen en opstijgen. De kooien van de oudste schacht Willem, die in de loop der jaren heel wat miljoenen tonnen steenkolen heeft opgetrokken, kunnen slechts 42 man bevatten. Het ophaalmachinehuis is op 1 augustus jl. eveneens in gebruik genomen. Ook in dit keurige gebouw, waar de ophaalmachinist zonder door het minste afgeleid te worden zijn verantwoordelijke taak vervult, is evenals in alle andere gebouwen rekening gehouden met een overvloed aan licht, lucht en hygiëne. Wie de nieuwe losvloeren met de oude losvloer - die één geheel gaan vormen - vergelijkt, krijgt een goed idee van de belangrijke uitbreidingen, tevens zovele verbeteringen.
Interieur schachthal met wagenomloop "de losvloer" (1930) In het nieuwe ketelhuis III is een batterij van twaalf stoomketels met oververhitters aangelegd, geleverd door de bekende fabriek Smit te Kinderdijk. Een zestal ketels staat reeds naast de oude onder stoom. Het gehele bedrijf wordt met stoom bedreven. In het eerste kwartaal van het volgend jaar zullen alle ketels onder stoom staan. In aanbouw is verder nog een hoge-luchtdruk-compressorenhuis met annex elektrische draaistroomcentrale, terwijl nog begonnen moet worden met de bouw van een nieuwe koeltoren uit gewapend beton, waarvan de fundamenten reeds gegraven zijn.
Interieur machine-centrale (1930) BrikettenZeer binnenkort zal de Domaniale Mijn ook z.g. briketten gaan fabriceren. In de enorme brikettenfabriek, die momenteel haar voltooiing nadert, komen vier eierbriketpersen te staan en drie persen voor industriebriketten. De eivormbriketten zijn bestemd voor huisbrand, terwijl de industriebriketten met een gewicht van 5 kg per stuk voornamelijk worden geleverd aan grote bedrijven in den lande. Er wordt gerekend op een dagproductie van 750 ton. Begin volgend jaar hoopt de Directie met de brikettenfabricage te kunnen beginnen. Het aantal arbeiders zal daardoor slechts zeer onbeduidend toenemen, daar de fabricage zo goed als geheel mechanisch gebeurt.
De nieuwe briketfabriek (1930) De nieuwe kolenzeverij en wasserijDe hypermoderne kolenwasserij met zeverij (sorteerderij) en brekerij is sedert einde augustus in gebruik. In deze inrichting worden de kolen gewassen en nauwkeurig gesorteerd in de verschillende bekende maten nootjes en fijnkool. De installatie kan 150 à 175 ton steenkool per uur verwerken, hetgeen dubbel zo veel is als de capaciteit van de oude wasserij. Er zijn bunkers van 2400 ton inhoud en dienende om de gewassen kolen te laten uitlekken. De wasserij en verdere installaties worden gedreven door een stoommachine van 650 pk.
Totaalaanzicht wasserij II (links) en I (1930) Einde september 1926 werd met de bouw begonnen, de betonwerken kwamen einde april van dit jaar klaar. Deze wolkenkrabber met zijn slikbassins hoog in de lucht, is uitgevoerd in beton-constructiewerk en vakwerk. Het hoogste punt van dit keurig afgewerkte gebouw is 37½ m, de lengte 40 m en de breedte 16 m. Aan deze bouw werd niet minder dan 7500 ton grind en zand, 375 ton betonijzer en 125 wagons cement verwerkt. Dit grootse werk werd gemaakt door de firma Aufbereitung A.G. Essen, die de betonwerken uitgaf aan de bekende Duitse Ingenieursfirma Wiemer & Trachte uit Dortmund. Eigenaardig is dat deze Duitse betonfirma - in de huidige cementstrijd - alle cement betrokken heeft van de enige importeur van Levie Frères, dhr. E. Gebhard alhier (noot: bedoeld wordt Maastricht), en niet van het Duitse Cement-Syndicaat. VervoerStraks zullen de ca. 160 mijnpaarden - typen van het zware Belgische werkpaard - die in de mijn voor het ondergronds transport zorgen, grotendeels vervangen worden door locomotief-vervoer, door hoogdruk-compressoren bewerkstelligd. Volgens berekeningen zullen voor het ondergronds vervoer van steenkool en arbeiders 19 stuks van zulke locomotieven benodigd zijn. Het plan der machinaaltransportdoeleinden voorziet in de aanleg van een netwerk van ijzeren rails met een totale lengte van 12 km. In de steengangen bevinden zich op verschillende plaatsen persluchtstations, waar de locomotieven onderweg de cilinders kunnen bijvullen. Nabij schacht Willem is zowel op de 200 meter als op de 380 meter-verdieping een locomotievenloods en een onderhoudswerkplaats aangelegd.
Deze 5-tons Berliet was de eerste vrachtauto van de Domaniale Mijn (1925) Voor het transport van steenkolen en materialen heeft de mijn twee moderne 5-tons lastwagens met automatische kipinrichting aangekocht, beide van het Franse merk Berliet C.B.A. 9 en geleverd door Garage Mercurius in Heerlen. Bijzonder is wel dat één der beide camions van luchtbanden op de voorwielen is voorzien. Ook het bovengrondse spoorweg-emplacement, dat als het ware te midden van de bebouwde kom der gemeente ligt, wordt belangrijk uitgebreid. Het bezit een grote capaciteit daar de grote kolentreinen erop worden samengesteld. Een vernuftige uitvinding is wel de elektrische schuifvloer voor de wagens, die gewoonweg op de plaats van de rails worden geschoven.
Elektrisch gedreven schuifvloer (1930) LuchtverversingDe ventilatoren op de oude luchtschacht Beerenbosch zijn van te geringe capaciteit om het gehele ontginningsveld oostelijk van de Feldbiss van verse lucht te voorzien. Ter voorkoming van mijngasexplosie of te hoge werktemperaturen voor de arbeiders zijn op de nieuwe schacht Beerenbosch twee nieuwe Pelzer ventilatoren geplaatst met een vermogen van 4000 kubieke meter per minuut. De oude ventilatoren zijn inmiddels buiten werking gesteld. Naast de luchtverversing (Bewetterung) heeft ook de ondergrondse waterhuishouding de grootste aandacht van de Directie. De watertoevloed op de Domaniale Mijn is in de afgelopen twaalf jaren gestegen van 2292 liter tot 5479 liter per minuut. Men houdt rekening met een extra watervloed op de 380 meter-verdieping, daar deze verdieping lager ligt dan de verdiepingen van enige omringende kolenmijn. Teneinde deze immense waterstroom te keren en gevaarlijke doorbraken te voorkomen, zullen op de 380 meter-verdieping hoog-vermogen pompenkamers worden ingericht.
Pompenkamer op de 380 meter-verdieping (1935) Wanneer binnenkort alle installaties gereed zijn gekomen zal de Domaniale Mijn tot één der best geoutilleerde Nederlandse mijnen behoren. De jaarproductie zal volgens de Mijndirectie (dhrn W. Husmann en A. Hulsman) in de toekomst worden opgevoerd van 750.000 ton tot 1.000.000 ton. De kwestie der uitputting binnen 25 jarenBlijft tenslotte de prangende vraag gedurende hoeveel jaren voornoemde investeringen hun vruchten zullen afwerpen. Er is wel geen particuliere mijn, die in de laatste tijd zo "over de tong" is gegaan als wel de Domaniale Mijn van Kerkrade. Al het geschrijf en gewrijf in de bladen komt terug tot de vraag, die het hart van de kwestie raakt: zal de Domaniale Mijn over ongeveer 25 jaren geen kolen meer bevatten, en als dit het geval zou zijn, is het dan niet goed gezien, dat de pers hierop nu reeds de aandacht vestigt, opdat zo nodig tijdig maatregelen kunnen genomen worden, die trachten te voorkomen dat Kerkrade zo min mogelijk de nadelige gevolgen ondervindt, wanneer de poorten dezer mijn moeten gesloten worden, daar er geen kolen meer kunnen worden gedolven. In alle toonaarden is reeds over de onderwerpelijke aangelegenheid geschreven; van allen kant is de kwestie belicht en bekeken, zodat het moeilijk is nog nieuwe gezichtspunten te openen of nieuwe elementen in het debat te brengen. Ware het niet dat onlangs in dit blad een artikel over de Domaniale Mijn werd afgedrukt, dat als "oude koppen" droeg de titels: "Raakt ze uitgeput?" en "Een hol gerucht"; dan zou men de kwestie wel als doodgeschreven kunnen gaan beschouwen. Doch bedoeld artikeltje mag o.i. toch niet onbesproken blijven, wijl het stellingen verkondigt, die met de waarheid min of meer op gespannen voet staan. Ons is het niet te doen om z.g. Rechthaberei, doch alleen de waarheid dwingt ons om enkele scheve voorstellingen recht te zetten.
In 1930 werd een jaarproductie van 1.000.000 ton bereikt. Door de economische crisis liep de productie in de daaropvolgende jaren sterk terug. Wanneer in een ander blad van een aprilgrap gesproken wordt, als beweerd wordt dat over een kwart eeuw de mijn zal zijn uitgeput, dan is dat een appreciatie, die het blad maar voor zijn eigen rekening en verantwoording moet nemen. Wij vinden de zaak van te kapitaal belang, om ze met een dooddoener als "aprilgrap" te betitelen. Reeds het vorig jaar werd in een courant de aandacht gevestigd op het feit, dat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat over 25 jaren de Dom. Mijn zou zijn uitgeput. Dat dit artikeltje wel de aandacht had getrokken, moge hieruit blijken, dat naar aanleiding hiervan het college van B. en W. van Kerkrade, zich om inlichtingen wendde tot het Staatstoezicht op de Mijnen. Het college ontving een brief waarin het Staatstoezicht de gestelde vraag bevestigend beantwoordde. Sedert dien is in de pers de aandacht aan deze belangrijke kwestie geschonken die ze dan ook verdient. Was, wat het Staatstoezicht op de Mijnen schreef, dan iets nieuws? Wel neen. Want niemand minder dan minister Colijn, die van geen aprilgrapjes houdt, verklaarde in de Memorie van Toelichting, behorende bij het aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij Koninklijke boodschap, dato 25 maart 1925, aangeboden ontwerp van de wet tot goedkeuring van een nieuwe overeenkomst met de N.V. Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij, betreffende de Dom. Mijnen onder meer:
Tot zover minister Colijn in een officieel regeringsstuk. En deze uitspraak is reeds meer dan twee jaren oud! Wie dus beweert, dat de Domaniale Mijn over ongeveer 25 jaren zal zijn uitgeput, bevindt zich in goed gezelschap en schrijft absoluut niets onjuist. Het is nog minder een nieuwtje voor de ingewijden, wel voor hen, die geen kennis namen van de officiële stukken, die door de Regering met de Kamer zijn gewisseld. Geraadpleegde bronnen: - Limburger Koerier, zaterdag 30 april 1927. - Limburger Koerier, woensdag 5 oktober 1927. - Limburger Koerier, zaterdag 29 oktober 1927. - Overzicht van de geschiedenis en ontwikkeling der N.V. Domaniale Mijn Maatschappij Kerkrade. Uitgegeven bij gelegenheid van de tentoonstelling te Luik 1930. - Archiv der Familie Husmann. - Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) - Plaatsingslijst 17.04. |
|
|||