Vrijdag 18 mei 2012

Op schacht Beerenbosch

door Paul Geilenkirchen

Tot in de jaren zeventig gonsde het tussen de beukenbomen van het Berenbos in Kerkrade van de industriële bedrijvigheid. Achter een hoge betonnen muur met stalen poorten ging een dependance van de Domaniale Mijn schuil met twee schachten, een bedrijfsschool en een immense mijnsteenberg.

Verse lucht in het Noordveld

Op een helling aan de noordrand van het plateau van Kerkrade ligt het natuur- en recreatiegebied Berenbos. Het is een restant van het bos Meinweide, een eeuwenoud bos dat al wordt genoemd in de kloosterkroniek van Rolduc, de Annales Rodenses (1104-1157). Dit uitgestrekte woud met eiken en beuken was gelegen tussen het dal van de Anstelbeek en het dal van de Worm. Vlakbij Meinweide bevond zich het moerassig gebied Berenbruch (broekland) waarvan de naam Bärenbusch (later verbasterd tot Berenbos) is afgeleid.

Het was op deze plek in het Rolduckerveld dat de directie van de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij (AMSM) in 1904 besloot een nieuwe luchtschacht aan te leggen. Diep onder de grond, op ruim 2 kilometer afstand van de hoofdzetel aan de Nieuwstraat, lag het Noordveld van de Domaniale Steenkolenmijnen. De maatschappij had dit ontginningsveld in 1880 na lange en moeizame onderhandelingen met de Staat verkregen als uitbreiding op het bestaande concessiegebied.

De stalen poort van het complex Beerenbosch met rechts het huisje van de portier en de mijnpolitie (foto: Martin Krewinkel, 1970).

Het kolenrijke Noordveld was een belangrijke aanwinst voor de Domaniale Mijn, die de toekomst van het bedrijf voor tientallen jaren zeker moest stellen. Het enige probleem was de grote afstand tot de bestaande luchtschachten waardoor de ventilatie op de werkpunten te wensen overliet, met als gevolg te hoge temperaturen en gevaar voor opeenhoping van mijngas. De nieuwe luchtschacht op Beerenbosch moest ervoor zorgen dat de verse lucht tot in de verste uithoeken van het nieuwe ontginningsveld zou reiken.

Op zoek naar steenkool

In 1905 ging de eerste schop de grond in. Het was niet de eerste keer dat in het Beerenbosch mijnbouwpioniers actief waren. Al in 1859 hadden de vorige eigenaren van het perceel, Alfred Frederic Marie graaf de Marchant et d’Ansembourg uit Brussel en zijn broer Oscar uit Gulpen, op hun zoektocht naar steenkool proefboringen laten verrichten. Deze boringen bereikten op 63 meter diepte het carboongesteente en doorboorden daarbij enkele dunne koollaagjes. In 1860 vroegen beide broers een concessie aan voor het delven van steenkool. Toen die concessie niet werd verleend, besloten ze het Beerenbosch te verkopen aan de handelsfirma Eltzbacher & Co. te Amsterdam.

De nieuwe eigenaren lieten de houtopstanden kappen en verkochten het terrein daarna aan molenaar Anton Wackers uit Herzogenrath en diens zwager Gustav Schümmer uit Klinkheide-Pannesheide. De zwagers zetten de boringen voort en vroegen in 1873 concessie aan voor de steenkoolwinning in een gebied ter grootte van ruim 1489 ha, waarvan ze uiteindelijk maar 457 ha kregen toegewezen. Deze concessie met de naam Laura (genoemd naar de vrouw van Wackers) vormde de eerste aanzet tot de latere steenkolenmijn Laura & Vereeniging in Eygelshoven.

d’r Wakkesjkoel

Het terrein waar luchtschacht Beerenbosch I werd aangelegd, lag ingeklemd tussen de weg naar de Baalsbrugger molen (de huidige Berenbosweg) en het voetpad naar de Haanraderweg, vlakbij de oude hoeve Beerenbosch. De AMSM had dit bouwland en hakhout aangekocht van Laura Wackers-Schümmer uit Herzogenrath, de weduwe van molenaar Anton Wackers, vandaar dat men in Kerkrade de kolenmijn Beerenbosch ook wel d’r Wakkesjkoel noemde.

Kadastrale kaart uit 1912. De rode vierkantjes links zijn de gebouwen van de hoeve Beerenbosch aan het voetpad naar Haanrade (bron: RHCL).

De aanleg ging niet van een leien dakje. Op 30 december 1905, toen de schacht zo goed als klaar was, had een instorting plaats gevolgd door een doorbraak van water en zand, waardoor al het gedane werk teniet werd gedaan. Gelukkig ontstond er geen direct gevaar voor de veiligheid van de mijn of de arbeiders. Bovendien zat vlak onder het maaiveld een vaste grindlaag van circa ¼ meter dikte, waardoor nakalving van de bovengrond uitbleef. Na de instorting werd het gat tot aan de oppervlakte volgestort en de plaats des onheils door rasterwerk afgesloten. Op een afstand van ca. 15 meter van het oorspronkelijke gat boorde men een nieuwe schacht die in 1908 tot op de 60 meter-verdieping gereed kwam. Na het aanbrengen van een elektrische Pelzer ventilator kon de luchtverversing aan het eind van dat jaar in bedrijf worden genomen.

Door het herstel van een sinds jaren ongebruikt watervoerkanaal op een niveau van 56 meter onder de schachtmond kreeg Beerenbosch een natuurlijke afloop op de rivier De Worm. Dit ondergronds kanaal dat onder de latere steenberg door liep, is nog tot 1994 door de Eschweiler Bergwerks Verein gebruikt voor de afvoer van overtollig mijnwater uit de Pompmijn Domaniale.

Beerenbosch I naar de 500 meter-verdieping

In de jaren daarna ging het afdiepen steeds verder. In 1926 waren de schachtbouwers al tot de 380 meter-verdieping gevorderd en in 1929 bereikten ze de 500 meter-verdieping. De schachtbuis reikte 483,45 meter onder het maaiveld en was in de deklaag bekleed met gietijzeren cuvelageringen (tübings). Er waren zeven verdiepingen te weten op de 60, 75, 200, 260, 280, 380 en 500 mV. Bovengronds was de luchtschacht niet meer dan een korte schoorsteenpijp die was verbonden met twee grote ventilatoren. Vlak naast het schachtgebouw stond de dienstwoning Beerenboschweg nr. 2, waar de opzichter woonde.

Beerenbosch I heeft van 1908 tot 1951 dienst gedaan als uittrekkende luchtschacht. Tijdens de grote luchtomzettingsoperatie in 1951 ging de schacht buiten bedrijf en werd Beerenbosch II de enige uittrekkende schacht van de Domaniale Mijn. In 1969 werd Beerenbosch I definitief afgesloten en vanaf de bovenste verdieping tot aan het maaiveld gevuld met een kleefprop van 260 kubieke meter beton.

Gezicht op schacht Beerenbosch II (1928).

Transportschacht Beerenbosch II

Rond 1917 ontstond het plan voor de aanleg van een tweede schacht op Beerenbosch, bestemd voor de afvoer van mijnsteen en het transport van arbeiders en materieel naar het Noordveld. Hiervoor kocht de Domaniale Mijn voor de somma van fl 24.330 van broer en zus Rudolf en Laura Wackers uit Herzogenrath de hoeve Beerenbosch en het bijbehorende bouwland en bos aan. In de daaropvolgende jaren verrees op deze plek schacht Beerenbosch II, een vierkante betonnen toren met op het dak vier kantelen. Verder kwam er een ophaalmachinegebouw, ketelhuis met koeltoren, compressorenhal, kleed- en wasruimten, werkplaatsen, bureaus en een mijnsteenberg. Kortom, het werd een complete mini-steenkolenmijn.

Bij de aanleg van het ketelhuis kregen de bouwers met een onverwachte tegenslag te maken. Op dinsdagmiddag 21 november 1922 om 16.00 uur stortte met donderend geraas het betonnen dak met een oppervlakte van ruim 500 m2 ca. 9 meter naar beneden. Een zestal arbeiders die op het dak aan het werk waren, werd ernstig gewond. Het was een geweldige consternatie. De gewonden werden naar het ziekenhuis gebracht waar de verwondingen wonder boven wonder bleken mee te vallen. Voor directeur Wilhelm Husmann, die verantwoordelijk was voor de bouw, had het muisje nog een vervelend staartje.

Het nieuwe ketelhuis met vier stoomketels (Kesselstirnwände) in 1925.

In 1925 kwam het ketelhuis met vier stoomketels eindelijk gereed. Ook de aanleg van waterbassins voor voedingswater met bijbehorende buisleidingen werd in dat jaar voltooid. Op 1 oktober 1925 kon de nieuwe schacht in gebruik worden genomen. Dagelijks ging een vierhonderdtal mijnwerkers via Beerenbosch II naar hun ondergrondse werk. Het verdere afdiepen verliep voorspoedig, zodat de bouwers in september 1928 de 500 meter-verdieping bereikten (475,86 m onder het maaiveld).

Schacht Beerenbosch II was dubbel uitgevoerd met twee complete ophaalinstallaties. De ene installatie, die normaal vanaf de 380 meter-verdieping trok, diende uitsluitend voor stenenvervoer terwijl de andere installatie werd gebruikt voor personenvervoer naar de 500 meter-verdieping. Op beide verdiepingen bevond zich een brede hoofdsteengang uitgevoerd met dubbelspoor, die Beerenbosch met schacht Willem II verbond.

Een gigantische hoop steenafval

De mijnsteen wordt over een lange transportband aangevoerd (ca. 1934)

De mijnsteenberg op Beerenbosch was aanvankelijk niet meer dan een steile heuvel, waarop de stenen via een transportband werden aangevoerd. In de loop van de jaren nam het stenenvervoer van ondergronds naar bovengronds zodanig toe, dat in 1949 een tweede transportinstallatie nodig was. Uiteindelijk groeide de berg uit tot een gigantische hoop steenafval van 187 meter hoog, een soort dikke bult in het landschap.

De berg was begroeid met bomen en struikgewas en het schijnt dat op de zuidhelling zelfs druiven groeiden. Pal aan de voet lag de hoeve Beerenbosch, ongeveer waar nu de speeltuin en de tennisbanen liggen. Deze boerderij werd tussen 1918 en 1931 gepacht door de familie Steinbusch, daarna woonden er achtereenvolgens de melkveehouders Hambeukers en Jan Schröder.

Om overlast te voorkomen had de directie tussen de steenberg en de boerderij een hoge betonnen keermuur geplaatst. Onder de steunberen van de muur liep het Beerenbosvoetpad dat Kerkrade met Haanrade verbond. Dit pad is in 1937 na een grote verschuiving bedolven onder de alsmaar groeiende mijnsteenberg.

Stenen breken op de 380 meter-verdieping

Door een wijziging in de afbouwmethode liep vanaf de jaren ’50 de aanvoer van mijnsteen terug. Liet men eerst de ontkoolde panden instorten nadat deze waren ‘geroofd’, nu vulde men de ‘oude man’ op met blaasstenen om op die manier verzakkingen aan de oppervlakte te voorkomen.

Om de stenen onder hoge druk in de gangen te kunnen blazen moesten ze eerst met een stenenbreker in kleinere stukken worden gebroken. De oudste stenenbreker van de Domaniale Mijn dateerde uit 1935 en lag op de 380 meter-verdieping van schacht Willem IIB. Iedere dag brak deze installatie 150 mijnwagens met grote stenen, afkomstig van de leesband op de losvloer en de voorbereidingsposten in het veld. Samen met de 550 wagens uit de steenkolenwasserij vormde dit de hoeveelheid blaasstenen die elk etmaal nodig was om de vijf blaaspijlers van de Domaniale Mijn te vullen.

In 1957 kwam ook op de 380 meter-verdieping van Beerenbosch een stenenbreker te staan. De grove stenen gingen via schacht Beerenbosch II naar boven en kwamen dan weer als wasberger terug naar beneden om de pijlers mee vol te blazen.

Beerenbosch: méér dan twee schachten en een steenberg

Beerenbosch was méér dan twee schachten en een steenberg. De welpen en verkenners van de scoutinggroep Charles de Foucauld uit Kerkrade/Holz hadden vanaf april 1935 jarenlang hun honk in een van de lokalen. Na de Tweede Wereldoorlog waren op het terrein de Ondergrondse Vakschool (O.V.S.) en het Gezellenhuis Beerenbosch gevestigd. Dit tehuis voor ongehuwde mijnwerkers dat medio 1947 in gebruik werd genomen, verschafte o.a. onderdak aan Polen en Wit-Russen die waren ontslagen uit de geallieerde legers en ongewenst waren in hun thuisland. De inrichting omvatte een keuken, dienruimte, eetzaal, recreatiezaal, drie slaapzalen en een kapel. Het tehuis heeft maar vijf jaar bestaan, in 1952 gingen de deuren al weer dicht en werden de bewoners overgeplaatst naar pensions in de omgeving.

In april 1951 was het Gezellenhuis even in het nieuws door een wilde staking onder Poolse mijnwerkers die ontevreden waren over de kwaliteit van het eten. De staking werd na een week door de mijndirectie met harde hand gebroken (lees meer op de website Onvoltooid Verleden.

Poolse mijnwerkers drinken een biertje aan de bar van het Gezellenhuis Beerenbosch (tijdschrift Steenkool, maart 1951).

Het Beerenbosch was een mooi stukje natuur met beuken, kastanjes, eiken en veel paddenstoelen. Op zondagen, als er niet werd gewerkt, was het complex opengesteld voor beambten en hun gezinsleden. De kinderen konden naar hartenlust door het bos struinen, spelletjes doen of beukennootjes rapen. Hoewel de steenberg verboden gebied was, ging de jeugd steevast tussen de leisteen naar fossielen zoeken. Nog spannender was het om langs de band naar boven te klimmen en vanaf de steenberg over Haanrade en Chèvremont uit te kijken. Totdat de mijnpolitie verscheen, dan was het uit met de pret! In het bos stond een soort zomerhuis van hout dat aan werknemers werd verhuurd. In dit zgn. Pavillon woonde jarenlang de familie Koegler uit Den Haag.

Leren en werken op de O.V.S.

Een jaar na de bevrijding van Kerkrade richtte de Domaniale Mijn in twee lokalen op Beerenbosch een eigen Ondergrondse Vakschool (O.V.S.) op. Tot dan toe vond de scholing in de praktijk plaats, maar omdat door de snelle technische vooruitgang en mechanisatie steeds hogere eisen aan de mijnwerker werden gesteld, ontstond de behoefte aan een gedegen vakopleiding waar mijnwerkers in spe de fijne kneepjes van het vak konden leren. De O.V.S. moest zorgen voor een bredere en betere opleiding, met daarbij een gezonde mix van theorie en praktijk.

Het nieuwe O.V.S.-gebouw. Rechts is schacht Beerenbosch II nog net zichtbaar (foto: tijdschrift Steenkool, 1952).

De eerste school begon in oktober 1945 met tien leerlingen. Daarna liep het aantal mijnwerkers in den dop snel op: van 85 in 1950 tot meer dan 160 in 1952. Met het toenemen van het aantal leerlingen ontstond behoefte aan uitbreiding van de capaciteit. Het nieuwe O.V.S.-gebouw dat in de zomer van 1947 klaar kwam, bevatte een kleedlokaal, twee klaslokalen, een badlokaal, een werklokaal, een gymnastiekzaal en enkele kantoorruimten.

Door het vrijkomen van het Gezellenhuis kreeg de opleiding in 1952 de beschikking over een flink aantal grote ruimten, waarmee aan alle wensen ruimschoots werd voldaan. Het aantal leerlingen bedroeg 160 terwijl het nieuwe schoolgebouw plaats bood aan 300 OVS-ers. Meester-opzichter Johan Lochtman kon met recht trots zijn op ‘zijn’ nieuwe school. Het rood en wit geschilderde gebouw lag prachtig in de natuur aan de rand van de Beerenbosch. Zelfs een stemmige kapel met een grote beeltenis van St. Barbara op de muur geschilderd, ontbrak niet aan het geheel.

De jongens gingen naar de O.V.S. als ze ca. veertien jaar oud waren en verdienden meteen al een klein salaris. De hele opleiding speelde zich op het terrein af: de lessen, het pionieren, de leermijn op de 200 meter-verdieping, de sport enz. Het onderwijssysteem leek wel een beetje op de padvinderij met veel aandacht voor normen en waarden, discipline, sport en natuur. De O.V.S.-ers hadden zelfs een eigen ‘O.V.S.-wet’ en een speciale groet.

Een groep O.V.S.-ers met rechts baas Rinckens (1955).

Met het oog op de naderende mijnsluiting werd de opleiding op 1 januari 1967 stopgezet. De laatste veertig vakscholieren van de Domaniale Mijn mochten de lessen voortzetten op de O.V.S. van de mijn Julia in Eygelshoven.

Bekijk hier meer foto’s van de O.V.S. Beerenbosch.


Luchtomzetting op de Domaniale Mijn

In de nacht van zaterdag 29 september op zondag 30 september 1951 lag het mijnbedrijf enkele uren stil. Alle lichten waren gedoofd en de nachtsjicht was tijdelijk ‘uitgevaren’. In de nachtelijke uren onderging het ondergronds klimaatbeheersingssysteem van de Domaniale Mijn een ingrijpende wijziging. Door het voordurend langer worden van de toevoerwegen was de luchtweerstand in het mijnveld zodanig toegenomen dat de ventilatie niet meer op haar belangrijke taak berekend was.

Aan de luchtomzettingsoperatie waren maanden van voorbereiding vooraf gegaan. Van de zes schachten van de Domaniale Mijn waren tot 1951 de schachten Nulland, de Buizenschacht en Beerenbosch I uittrekkend, terwijl Willem I, Willem II en Beerenbosch II intrekkend waren. In de nieuwe situatie was alleen Beerenbosch II nog uittrekkend, terwijl Willem I, Willem II, Nulland en de Buizenschacht intrekkend werden. Luchtschacht Beerenbosch I werd buiten bedrijf gesteld en afgesloten met een klep. In het voormalige compressorengebouw kwamen twee nieuwe Stork hoofdventilatoren te staan met een capaciteit van 7000 kubieke meter per minuut, die via een betonnen luchtafzuigkanaal met Beerenbosch II waren verbonden.

De nieuwe Stork hoofdventilatoren op Beerenbosch (foto © Centraal Archief DSM).

Behalve het plaatsen van nieuwe ventilatoren moest nog veel meer gebeuren. Het ondergrondse ventilatiesysteem van een steenkolenmijn bestaat uit een ingewikkeld stelsel van luchtdeuren, sluizen, hulpventilatoren, kleppen en luchtkokers waarvan de werking nauwkeurig op elkaar is afgestemd. Aan de hand van een draadmodel (computers bestonden nog niet!) waren de plannen van te voren tot in detail uitgewerkt. Op zondagochtend om 3 uur was de operatie voltooid en kon het ondergronds bedrijf weer opgelucht ‘ademhalen’.

Van stoom naar stroom

In 1955 vond op Beerenbosch nog een grootscheepse modernisering plaats. De oude ophaalinstallatie met twee stoommachines, die nog dateerden uit 1923, had na ruim dertig jaar trouwe dienst haar beste tijd gehad. Bij de operatie VAN STOOM NAAR STROOM maakte één van de twee stoomophaalmachines plaats voor een moderne, elektrisch aangedreven ophaalmachine.

Joseph Delahaije poseert bij de oude stoomophaalmachine.

De nieuwe ophaalinstallatie was uitgerust met een Koepeschijf van 5 meter doorsnede die door een 500 pk draaistroommotor in beweging werd gezet. In een aparte ruimte zetelde de ophaalmachinist met vlak bij zijn stoel de stuur- en rembok. De ophaalmachine kreeg de benodigde stroom toegevoerd uit de elektrische centrale van de Domaniale Mijn die sinds 1948 was gekoppeld aan het elektriciteitsnet van de mijn Julia in Eygelshoven.

Schacht Beerenbosch II onderging een ware metamorfose. De stabiliteit van de oude betonnen schachtbok uit 1923 liet te wensen over en ook de schachtwielen voldeden niet meer aan de eisen. De betonnen toren werd gedeeltelijk gesloopt en over het stuk dat was blijven staan kwam een nieuwe stalen constructie op vier poten te staan. In de kop van de stalen bok bevonden zich moderne gietstalen leidschijven met een middellijn van 4 ½ meter. De oude schachtkooien werden vervangen door nieuwe drie etage-kooien met op elke etage ruimte voor één mijnwagen.

De oude ketels bleven in gebruik voor verwarmingsdoeleinden, terwijl een enkele ketel nog dienst bleef doen voor het krachtbedrijf. In 1957 werd ook de tweede stoomophaalmachine geëlektrificeerd waarmee een definitief einde kwam aan het stoomtijdperk op Beerenbosch.

"Et Kapelsje Berebusj"

Wie aan Beerenbosch denkt, denkt aan het witte Mariakapelletje onder de kastanjeboom. Dit bouwsel gelegen op de kruising van de Grüner Weg (de latere Hertogenlaan) en de Berenbosweg, was in 1846 opgericht door pachter Jan Jozef Deutz van de pachthoeve Kloosterrade. Het lag midden tussen de korenvelden, niet ver van de abdij Rolduc. Oorspronkelijk heette het "’t Kloeëster-kapelsje", maar sedert de aanleg van schacht Beerenbosch II in de jaren ’20 sprak men meestal over "’t Kapelsje Berebusj".

Het kapelletje in het veld had voor veel Kerkradenaren een bijzondere betekenis. Mijnwerkers onderweg naar hun werk baden er een schietgebedje, wandelaars staken er een kaarsje op en tijdens de jaarlijkse ‘jroeëse brónk’ (Sacramentsprocessie) stond er traditiegetrouw een rustaltaar. Voor plaatselijke dichters was het een bron van inspiratie. Dialectdichter Jos. Geilenkirchen werd er jaren geleden ook door gegrepen en schreef in de Mariamaand mei van 1931 een lang gedicht met de titel "Et Kloeëster-kapelsje".

Bij de aanleg van de nieuwbouwwijk Rolduckerveld begin jaren ’60 vormde het kapelletje een sta-in-de-weg. De gemeente besloot daarom het monumentale bouwsel enkele honderden meters te verplaatsen, helaas met - zoals later zou blijken - desastreuze gevolgen. Na een eerdere mislukte poging was het op zaterdag 18 november 1961 eindelijk zover: een enorme hijskraan zou het ingepakte kapelletje van zijn fundering tillen om het een stukje verder weer neer te zetten. Toen het gebouwtje aan de hijskabel boven de grond zweefde brak het met een doffe klap en viel in duizend stukken uit elkaar. Het drama betekende het eind van dit stukje religieus erfgoed. In 2002 werd op initiatief van het Catharinagilde iets verderop in de richting van Rolduc een getrouwe kopie opgericht.

Berenbos nu

In 1969 sloot de Domaniale Mijn voorgoed haar poorten. De meeste gebouwen op Beerenbosch gingen tegen de vlakte, behalve schacht Beerenbosch II die in haar ‘tweede leven’ nog een tijdje dienst deed als pompschacht voor overtollig mijnwater. In 1974 kocht de Eschweiler Bergwerks Verein (EBV) de pompinstallaties op, met inbegrip van de woonhuizen Berenbosweg nr. 5 en 7. Twintig jaar later werd Beerenbosch II als laatste met een kleefprop van beton gevuld. Tegenwoordig herinnert alleen nog een dikke betonnen plaat met daarop een klein ontluchtingspijpje aan het industrieel verleden van het Berenbos.

Knipsel uit het Limburgs Dagblad van 7 mei 1977. De fraaie brug over de vierbaans autoweg is er nooit gekomen.

Na de sluiting van de mijnen heeft de gemeente Kerkrade de mijnsteenberg omgetoverd tot een groen wandel- en recreatiegebied. De werkzaamheden daarvoor begonnen in 1977 toen 20 meter van de top van de steenberg werd afgehaald. Wat overbleef was een soort verhoogd plateau (hoogste punt 162 meter) dat zich uitstrekt over een oppervlakte van 12 hectare en begroeid is met bomen, planten en lage struiken.

Op de steenberg vinden we de typische mijnsteenflora die in veel gevallen alleen in Limburg voorkomt. De planten hebben zich aangepast aan de voedingsbodem, bestaande uit zand- en leisteen die op den duur door weersinvloeden uit elkaar valt. Bij de herinrichting van het gebied in 1976 opperde de IVN afdeling Kerkrade/Eygelshoven het idee om een gedeelte van de steenberg in oorspronkelijke staat te bewaren en daar een heemtuin in te richten. Het zou het behoud betekenen van de voor Limburg zo specifieke mijnsteenflora, waartoe o.a. behoren de teunisbloem, het loogkruid, het slangenkruid, de kaardebol en de driedistel. Het idee is nooit van de grond gekomen, net zo min als het plan van de projectontwikkelaar om van het 28 ha grote terrein van Beerenbosch een mega-attractiepark te maken.

18-holes op Rolduc?

Misschien zitten op Berenbosch straks geen twee, maar achttien gaten in de grond. Er bestaan namelijk plannen om bij Rolduc een 18-holes golfbaan aan te leggen om op die manier de historische abdij aan wat extra inkomsten te helpen. En daarvan zijn drie holes op de voormalige steenberg geprojecteerd. Zoals altijd staan de belangen van natuurbehoud en economisch gewin lijnrecht tegenover elkaar. Een ecologisch onderzoek, inspraakprocedures en een milieueffectrapportage moeten uiteindelijk leiden tot democratische besluitvorming over dit politiek omstreden project.

Een schril contrast met honderd jaar geleden. Toen de Domaniale Mijn in 1904 besloot om midden in dit natuurgebied een industriecomplex aan te leggen werd niemands mening gevraagd. Omdat voor de steenkolenmijnen een uitzonderingspositie gold, viel het plan niet onder de Hinderwet waardoor de directie feitelijk kon doen en laten wat zij wilde.


Bekijk meer foto’s van schacht Beerenbosch

Geraadpleegde bronnen:

- Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) - Plaatsingslijst 17.04.

- Jaarverslagen Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij.

- Jaarverslagen N.V. Domaniale Mijn Maatschappij mei 1925 - april 1969.

- De Zuid-Limburger d.d. 23 november 1922.

- Dr. P.C. Boeren - De abdij Rolduc (1104 - 1804). Maastricht, 1945.

- H.J.M.W. de Quartel - De geschiedenis van de steenkolenconcessies in Zuid-Limburg en het daar geldende mijnrecht. Delft, 1948.

- Tijdschrift Steenkool. Diverse jaargangen.

- J. Driessen - Kerkrade in oude ansichten. Zaltbommel, 1972.

- G. Brouns - Uit de geschiedenis van Laura & Vereeniging. Eygelshoven, 1975.

- Limburgs Dagblad van 26 september 1976 en 7 mei 1977.

- De Berenbosse verkenner 1932 - 1982.

- Frits Sprokel - De terugkeer van het kapelletje Berenbos. Kerkrade, 2002

- Nico Moonen - Enkele gegevens over de steenkolenmijnbouw.

top
 top